De stelling van Grahame Lock: De meeste mensen kunnen ook toe met minder weten

Het rapport Dijsselbloem stelt twintig jaar politiek beheer van het onderwijs in gebreke. Maar de kern van het probleem wordt niet geraakt. Filosoof Grahame Lock analyseert in gesprek met Folkert Jensma de begrippen ‘kwaliteit’ en ‘onderwijs’.

Hoe weegt u de conclusies: De overheid heeft de kwaliteit van het onderwijs ernstig verwaarloosd. Er was twintig jaar geen deugdelijk toezicht op kwaliteit. En politiek belang voerde de boventoon?

„Er wordt een aantal symptomen geanalyseerd, die al lang duidelijk waren. Namelijk dat het niveau daalt. Nu komt Dijsselbloem binnen en zegt ‘ik ben de man die de waarheid spreekt. Ik kom jullie vertellen: het ís zo, we moeten er iets aan doen’. Nou, dat is een retorische zet, in een interne politieke strijd. Het was allemaal bekend. Alleen de politici durfden het niet te erkennen. Maar iedereen wist het verder: de leraren, de universiteiten, de professionals. Behalve degenen die er over besluiten. Dat blijft curieus.”

Hoe beoordeelt u de aanbevelingen: heldere standaarden, verplichte toets, meer autonomie, ‘stapelen’ makkelijk maken, herijken urennorm etc.

„Dat is een optelsom van ongelijksoortige wensen. Het zal weinig uitmaken. Het heeft of geen effect of het is niet haalbaar. De daling van het onderwijsniveau is een algemeen verschijnsel, niet specifiek voor Nederland.

„In Duitsland speelt dit al heel lang en in Engeland ook. Daar daalt het niveau ook. In Oxford moest er een nieuw voorbereidend jaar voor wiskunde komen om studenten op het niveau te brengen dat twintig jaar terug gewoon was. Het kan dus niet aan de Nederlandse politiek liggen. Hooguit hadden we het op een paar onderdelen beter kunnen doen. Maar het kan niet de diepere oorzaak zijn.”

Staat die in dit rapport?

„Nee, je komt het vertrouwde managersjargon tegen: standaarden, indicatoren, controles, toetsen, etcetera. Het meten van de ‘kwaliteit van het onderwijs’ bijvoorbeeld. De gewone lezer denkt dat je dan ook iets meet dat werkelijk bestaat. Maar die indicatoren, hebben niets te maken met ‘real life’. Alleen met de indicatoren zelf. Lees The Audit Society van Michael Power! Het accountantsonderzoek uit de zakenwereld wordt nu toegepast op maatschappelijke sectoren. En het cijfermateriaal uit de boekhouding wordt vervangen door ‘strategische doelen’. Dat gebeurt door kunstmatig cijfers toe te wijzen aan een niet-cijfermatige werkelijkheid of door mission statements, beginselverklaringen te verzinnen. Dan komt de auditor kijken of die doelen zijn bereikt. Daarvoor wordt iets verzonnen waardoor het objectief lijkt. Heeft de docent gebruik gemaakt van alle leermiddelen? Zijn de kernbegrippen goed uitgelegd, de maatschappelijke toepassingen? Kunnen de studenten aan tenminste vier van de vijf eindtermen voldoen. Noem maar op, vul maar in.

Dus eigenlijk meet je niks?

„Onderwijs bestond tot voor kort uit gekke dingen, althans gemeten naar maatstaven uit de zakenwereld. Kwaliteit was een docent die z’n student persoonlijk uitnodigde om thuis wat boeken te bestuderen. Of om samen muziek te maken, of lang na te praten. In de zakenwereld is kwaliteit een procesbegrip: zakenlui moeten winst maken en dus is efficiëntie belangrijk.

„Efficiency is met een bepaalde input (kinderen) en een zuinige throughput (onderwijs) een hoge output (diploma’s) halen. Voor een zakenman is kwalitatief hoogwaardig onderwijs dan ook absurd inefficiënt. Het gaat hem om de vraag hoeveel diploma’s je kunt leveren met een zo zuinig mogelijke inspanning. Alles wat je extra doet voegt kosten toe. En het product wordt er niet beter van, gemeten naar het aantal gediplomeerden en de eisen van de arbeidsmarkt. Dát begrip van kwaliteit is zo goed als het tegenovergestelde van ‘real life’ kwaliteit.”

Hoe werkt dat in het onderwijs?

„Een leraar mag nu dikwijls niet buiten schooluren les geven of buiten het curriculum om met studenten bij elkaar komen. De leslokalen zijn vaak afgesloten. Je moet bij de portier de sleutel ophalen. En die wil dan weten in welk kader die ruimte wordt benut. Onder welk budget dat valt. De deur gaat niet open als het niet via de ‘interne markt’ kan worden bekostigd. Dus de kwaliteit daalt en daalt en de doelmatigheid stijgt en stijgt. Dan kom je terecht in Cloud Cuckoo Land.*

„Dijsselbloem had z'n begrippen in twijfel moeten trekken. Wat bedoelen we met kwaliteit. Wat bedoelen we met deugdelijk onderwijs. Gemeten naar wat. Is een goede wiskundeleraar iemand die de stof heel goed uitlegt. Of iemand die zo min mogelijk aandacht aan zoveel mogelijk leerlingen besteedt zolang die dan toch hun diploma halen. Als je dat niet duidelijk hebt hoef je dit rapport niet te schrijven of te lezen.”

Oké, maar ook volgens u daalt het niveau van leerlingen en studenten.

„De eerste mogelijkheid is dat de daling echt is en betreurenswaardig. Dat het bedrijfsleven merkt dat studenten écht niet meer kunnen rekenen of spellen. Dat de politiek op basis van de cijfers denkt dat alles onder controle is, maar dat dit niet klopt met de werkelijkheid. Volgens het beroemde voorbeeld: operatie objectief geslaagd, maar patiënt overleden. Een andere mogelijkheid is dat het proces zelf niet in staat is te leveren wat het zou moeten.

„Mijn suggestie is dat met de ontwikkeling van technologische processen de meeste mensen ook minder hoeven te kunnen en te weten. Dat heet ‘de-skilling’-dekwalificatie. Iedereen kan tegenwoordig computers gebruiken op basis van een uurtje instructie. Klik hier, klik daar – het wordt steeds makkelijker. Dekwalificatie is een belangrijk verschijnsel in onze samenleving. Er is nu veel revolutionaire technologie die moeilijke taken verricht. Tien jaar geleden was dat nog ondenkbaar. Maar het omgekeerde is ook waar. Tien jaar geleden dacht niemand dat er zo veel werknemers dingen zouden doen die zo simpel zijn. Vroeger moest een caissière kunnen rekenen. Nu hoeft ze alleen te scannen.”

Bedoelt u dat niveauverlaging een systeemaanpassing is aan de arbeidsmarkt?

„Het is een hypothese. Een hoog percentage van de werknemers van de toekomst hoeft niet zoveel te kunnen als vroeger. Daarvoor moet een systeem komen dat genoeg ex-scholieren met een diploma voor deze arbeidsmarkt aflevert. Dan moet het niveau omlaag want het moet efficiënt zijn. Waarom zou je een betere scholier maken, die veel ‘luxe’ heeft gehad, veel aandacht, veel keuzevakken in het onderwijs? De markt wil iemand die kan scannen. Gaan we zo iemand geschiedenis geven en vreemde talen? Nou, nee dus.

„Maar een minister die zo’n efficiënt systeem invoert komt in de problemen. Want de ouders merken dat hun kinderen heel veel niet meer kunnen. Zij gunnen het kind juist alle kansen in het leven. Het systeem zou dan moeten zeggen: nee, uw kind is voorbestemd om ongeschoold werk te doen. En daar leiden we voor op. U wilt luxe, maar die krijgt u niet. Alleen, hij kan dat niet zeggen want de minister is geen manager bij Unilever, maar hij zit in de politiek. Hij moet omgaan met ouders en met Dijsselbloemers – dus hij stuurt een middenkoers. Er komen een paar nietszeggende hervormingen, meer inspectie, meer autonomie.

„Uiteindelijk kun je dan de minderheid, het aantal zeer hoog opgeleide mensen die je nodig hebt, grotendeels importeren uit het buitenland. Schoonmakers komen uit derdewereldlanden. In Nederland doen we het tweede garnituur en het derde. Harvard leidt op voor de top. Perfecte arbeidsdeling. Heel efficiënte mix. Alles in orde.”

Maar dat voldoet niet aan onze culturele maatstaven.

„Inderdaad. We zien dus een botsing tussen zakelijke en culturele maatstaven. Niemand weet nu meer wat de bedoeling is. Moet het lager of hoger, goedkoper of duurder? Moet je studenten persoonlijk lesgeven zodat de kwaliteit van het werkstuk hoger wordt? Of is dat verspilling? Dijsselbloem heeft wel gelijk in de stelling dat niemand weet wat de algemene richtlijn is. Enerzijds moet alles efficiënter – een zes is voldoende. Anderzijds klagen ze over de zesjescultuur. In dat opzicht zijn studenten heel intelligent. Ze snappen het efficiency- verhaal van de homo economicus. Die steekt geen seconde meer tijd in iets dan echt nodig is. Wat heeft een student nodig om middenmanager bij Philips te worden? Nou, bijvoorbeeld een 7. Hij kan makkelijk meer bereiken. Maar waarom zou hij dan nog dat boek extra lezen? Dat is een verkeerde investering van z’n tijd. Volgens de normen die door de samenleving en ieder kabinet worden opgelegd.

„Dan komt de commissie-Dijsselbloem langs en die weet dan niet goed de basisbegrippen te definiëren. Die is niet in staat om de veronderstelling over kwaliteit en deugdelijk onderwijs te analyseren. Die gebruikt het standaard managementjargon. In wezen komen ze met een paar pleisters aan zetten. Maar het echte leven is ingewikkelder. Stel dat de cijfers omhooggaan. Dan zeggen de managers: dat is onnodig duur. Dat is inefficiënt, de scholieren hebben meer gepresteerd dan nodig. We betalen meer uren dan ze nodig hebben.”

Dus de managers hebben het weer gedaan?

„Ook in de publieke sector is arbeidsdeling heel ver doorgevoerd. Professionals werken ook in grote systemen waar ze geen greep meer op hebben. De arts en de professor weten niet hoe het wordt gemanaged. De managers weten dat wel, maar die kennen de inhoud niet. Die kunnen alleen maar werken met indicatoren. Het product kunnen ze niet in ‘real life’ termen beoordelen. Zodoende raken de managers het contact met de realiteit kwijt. En er is niks meer wat dat recht kan zetten. Geen inspectie, niet meer indicatoren of meer autonomie. Dat helpt allemaal niet. ‘Autonomie’ betekent in grote systemen als Nederland dat we scholen of ziekenhuizen vrij laten om te bepalen hoe ze hun targets bereiken. Maar niet welke doelen ze nuttig vinden.

„Een voorbeeld: er moeten in een ziekenhuis 2.000 operaties per jaar worden verricht. Hoe je dat doet, mag je zelf weten. Met korter werken, meer immigranten, meer vrouwen – dat is jullie zaak. Maar dat leidt tot hyperbureaucratisering. Want hoe meer autonomie hoe meer indicatoren er nodig zijn om de minister te kunnen laten beoordelen of het goed ging of fout. Het is niet meer recht te zetten. Ook een commissie als deze kan dat niet. Over vijf jaar weet je dat het niveau verder is gedaald.”

Maar zijn de officiële cijfers weer prima?!

„Ieder kind leert al het systeem te bespelen. Als kinderen tien Latijnse woorden moeten kennen, leren ze er geen elf. Dat geldt ook voor de scholen zelf. Ze snappen heel goed wat er van ze verwacht wordt. Soms moet er een school opgeheven worden, maar dan was het management te dom. Dat wil niet zeggen dat zo’n school niet goed was, hoor. Het is allemaal nep. Formuleer uw onderwijsdoelen, zullen ze aan leraren vragen. Wat schrijf jij op, vragen ze dan aan mekaar. Nou, dat een kind in staat is om zelfstandig te kunnen leren. Prachtig, nieuwe buzzwords. Hier: wettelijk vastgelegde deugdelijkheidseisen. Idem dito. Wat willen ze horen? Je leert om te gaan met iedere nieuwe situatie. Je leert het systeem te bespelen – feitelijk hoe je een goede middenmanager wordt.

„Eigenlijk werk je binnen het onderwijs binnen de ruimte die je bij toeval hebt. Het kan zijn dat je morgen niet meer mag omdat het leslokaal niet meer beschikbaar is, je zelf overbodig bent, het beleid is veranderd. Dan gaat het opeens om Nieuw Leren, Super Nieuw Leren, nee, Herzien Nieuw Leren. Je weet nooit wat ze verzinnen.”

We worden allemaal ‘spelers’?

„De enige troost is dat het overal in Europa zo is.”

En niet alleen in het onderwijs.

„Thatcher heeft in de jaren tachtig de publieke voorzieningen gereorganiseerd onder haar beroemde motto ‘There is no such thing as society’. Zij ging uit van het idee van de econoom Buchanan dat de mens alleen het eigen belang dient. Egoïsme is alles. Ik simplificeer nu. Iedereen denkt aan zichzelf. Dat kun je dus alleen beheersen met controle. Met videocamera’s en toezicht. Maar ook met bureaucratische stelsels met prestatiedoelen, quota’s, indicatoren, normen, accreditatie. In de gezondheidszorg, maar ook bij politie en justitie. Je hebt dus nu ziekenhuizen die hun operatiequota’s halen omdat ze de makkelijke knieoperaties voorrang geven boven de moeilijke kankerpatiënten. Die gaan dan dood. Dat gebeurt! Kijk naar Adam Curtis’ film The Trap. Politie en justitie, idem dito. Die herdefiniëren misdaad om hun doelen te halen. Het doel is bereikt, de kwaliteit is top, maar het zegt minder dan niks. In deze opvatting moet je dus iedereen onder controle houden. Iedereen zal het systeem gebruiken om zichzelf te bevoordelen. Dan verdubbel je de controles, maar dat helpt niet. Iedere nieuwe norm geeft nieuwe mogelijkheden om te ontsnappen. Daarom houdt een goede advocaat van een dik wetboek.

„In het onderwijs gaat het ook zo. Het ministerie bepaalt de doelen. Maar dat systeem kun je ook bespelen. De managers leren dat. Hun bonus hangt er van af, hun carrière. Alle indicatoren halen. Daar draait het om.

„En juist omdat er geen ruimte voor interpretatie meer mag zijn, alles totaal objectief moet zijn, kan een overheid niet meer ingrijpen. Ze kunnen niet meer zeggen: jullie hebben een score van 98 procent, maar we geloven het niet! Wat voor ándere criteria zou je dan moeten aanleggen?

„Iedereen weet dat het nep is. De visitatiecommissies, de inspectie, de kinderen, de leraren. Maar officieel kan niemand het meer betwijfelen. Je belandt in een Russische satirische roman uit de 19e eeuw. Het is heel grappig, als het niet zo tragisch was.”

Waar was onderwijs ook alweer écht voor?

„Traditioneel is onderwijs gericht op het individu. Wat heeft dat nodig, niet zozeer voor de arbeidsmarkt, maar om een leven als mens te leiden dat zin heeft. Kennis van geschiedenis, wetenschap en filosofie opdoen. Niet omdat je daarin wilt werken, maar omdat je een repertoire nodig hebt waaruit je op onverwachte momenten kunt putten. Daar lees je niet over in dit rapport.”

*De wolkenhemel van de vogels. Nephelokokkygia. Komedie van Aristofanes. (FJ)