Bekpekkers

Al heel lang ergeren veel mensen zich aan het gebruik van Engelse woorden in het Nederlands op plaatsen waar een goed Nederlands woord het meest voor de hand ligt. Ze zijn de enigen niet. In Frankrijk vechten de taalzuiveraars tegen het franglais. En zonder dat ik hiermee ook maar in de verste verte iets wil insinueren: een jaar of 65 geleden wilde de NSB het Nederlands weer totaal verdietsen, terug naar de taal van de Germaanse goden.

Hoe dan ook, aan de infiltratie van het Engels valt blijkbaar niets te doen. De onstuitbare mondialisering maakt ons machteloos. Maar er is nog één tussenoplossing, een compromis zoals we het noemen. Geef de Engelse leenwoorden een Nederlandse spelling. Fonetiseer de immigratie. Het seizoen van de seel is weer begonnen. Jaren geleden wist je niet beter dan dat het uitverkoop heette. Toen plakte de voorhoede van de middenstand een biljet met SALE op het winkelraam. Sale wie, wat? dachten misschien de mensen die veronderstelden dat het Frans was. Om ieder misverstand te vermijden zou je het dus SEEL moeten noemen. Maar daarmee zou de magie van de Engelse spelling verloren gaan. En verwarring was niet uitgesloten, want je hebt ook een SEEL ÈMSTERDEM, en dat is de naam van een festijn op het water.

Een paar jaar geleden heb ik, louter voor mezelf, een lijstje aangelegd. Ik doe een greep. Aart – Kunst. Benker – Bankier. Breens – Verstand. Diezain – Ontwerp. Fèsjun – Mode. Fukof – Lazer op. Impekt – Effect. Isjoe – Kwestie. Kesj – Baar geld. Kresj – ongeluk. Roets – Wortels. Saitkik – Prominente bijhanger. Uhwòrd – Prijs. Leuk? Nou, nee. En ik leefde ook niet in de veronderstelling dat het zou helpen. Ik bewaarde het en ik vergat het.

Tot ik woensdagochtend in de tram bijna tegen de grond werd geslagen door de rugzak van een toeriste. Een tenger meisje dat niets had gemerkt van het onheil dat ze bijna had aangericht. In oude tijden wist je dat de lente begonnen was als je op de voorpagina van de krant een foto van het eerste lammetje zag. Door de klimaatverandering wordt de lente langzamerhand tot een achterhaald verschijnsel. Maar als je dan toch een symbolische foto zou willen afdrukken, dan zou dat er een van een bekpekker kunnen zijn. De eerste bekpekker is weer in Amsterdam gesignaleerd. Als je het woord fonetisch gespeld ziet, zou je kunnen denken dat het een soort specht is. Maar we hebben te maken met een rugzaktoerist, een backpacker. Ik blijf verder bij de oude benaming.

Ze beseffen het niet, ze gaan en staan in de veronderstelling dat ze met rugzak dezelfde omvang hebben als zonder, maar in werkelijkheid is hun bovenlichaam aan de achterkant twee maal zo dik geworden. In de tram kunnen ze niet gaan zitten want er is te weinig ruimte op het bankje. Ze staan met die pakkage in het gangpad. Andere mensen die met zo’n rugzakker een nauwe ruimte delen, merken dat vooral als ze zich omdraaien. Hun draaicirkel is twee maal zo groot als die van een onbepakt mens. Draait een rugzakker zich snel en onverhoeds om, dan kan de klap voor de dichtstbijstaander hard aankomen. Mijn stelling is dat iemand die regelmatig met de tram gaat, tenminste één maal per seizoen door een rugzak wordt getroffen. En hoe vriendelijk ik ook ben, ik kan het niet helpen: als ik me niet kan beheersen duw ik terug.

Eigenlijk is de rugzakker een vrijwillige invalide. Wat kunnen we doen om haar/hem en ons uit de nood te verlossen? Een rugzak met een telescopisch achteruitkijkspiegeltje, zoals het bij vrachtwagens verplicht is, heb ik weleens gedacht. Je schuift het stangetje uit als je een beperkte ruimte binnenkomt, en je kunt meteen zien wat er achter je gebeurt. Maar dat is theoretisch perfectionisme.

Beter is: helemaal geen rugzak. Het is tegen de menselijke waardigheid om als een kameel bepakt door de gebaande wereld te trekken. Als het traject door de woestijn of over de bergen voert, ja, dan kun je je er nog iets bij voorstellen. Maar een rugzaktoerist op een gewoon stadstrottoir of in de tram doet me denken aan een geweldige terreinwagen, een SUV in een gewone geasfalteerde winkelstraat. Het geeft de illusie dat je in de wilde natuur bent, en voor de rest heb je er niets dan last van.

In onze totaal geplaveide wereld hoort de toeristenrugzak, dunkt mij, tot dezelfde categorie als de SUV. Allebei kunstmatige rudimenten van het wilde, het primitieve leven. De moderne techniek heeft al jaren geleden de beste, de comfortabelste alternatieven bedacht. Al vèr terug in de vorige eeuw is de koffer op wieltjes uitgevonden, de zegenrijkste ontwikkeling voor de reizende mens. En zoals het met alle uitvindingen gaat: ze ontwikkelen zich. Deze rijdende koffers heb je nu in alle maten en modellen. Je trekt je hebben en houen gewoon achter je aan. En niemand heeft er last van.