Wij vervingen een partij tomaten

In zijn roman over de hel van het illegalenleven geeft Gustaaf Peek de onzichtbaren een stem. Met overdonderend resultaat.

Gustaaf Peek Foto Maaike Hermes Hermes, Maaike

Gustaaf Peek: Dover. Contact, 222 blz. € 19,90

Dat Gustaaf Peek weinig boodschap heeft aan autobiografisch schrijven bleek twee jaar geleden al uit zijn debuut. In Armin haalde hij de hele wereldgeschiedenis na 1945 overhoop, van het nazistische Lebensborn-project voor rassenveredeling tot de Val van de Muur, en van de atoombommen op Japan tot de kloonexperimenten van moderne genetici. Ook in zijn tweede roman kiest de 33-jarige fotograaf- schrijver voor de macro-onderwerpen. Zoals de titel al suggereert gaat Dover over het lot van economische emigranten in het algemeen en over de vondst van 58 gestikte Chinezen in de laadruimte van een Nederlandse vrachtauto in het bijzonder: wereldnieuws in juni 2000, symbool van de nietsontziende mensensmokkel in de weken erna, en inmiddels weer half-en-half in de vergetelheid geraakt.

Dover begint ijzersterk, met een lyrische, in de wij-vorm gestelde beschrijving van de mislukte overtocht. ‘We hebben het niet gehaald’, luidt de eerste alinea, waarna in twee bladzijden de gruwelijke details op elkaar volgen – in een rechte lijn van ‘We vervingen een lading tomaten’ tot ‘Twee van ons hebben het overleefd’. In het volgende hoofdstuk verschuift het perspectief, en maken we in flashback kennis met Tony, een leergierige Chinees die de etnische zuiveringen in Indonesië is ontvlucht en in de keuken van een Rotterdams restaurant (en daarbuiten) vuile klusjes opknapt voor de mensensmokkelaar Mr. Chow. Tony is het belangrijkste personage van Dover, dat ons verder niet alleen een kijkje biedt in de geest van een voormalige kindsoldaat uit zwart Afrika, maar ook in die van een geronselde Afrikaanse vrouw die terechtkomt in de Hollandse prostitutie en op een haar na eindigt in een snuff movie in een Flevolandse polderloods.

Peek geeft deze marginale figuren – de ‘onzichtbaren’, zoals wijlen Karel Glastra van Loon ze noemde – een stem. Zichtbaarheid is een van de belangrijke thema’s in de roman. Bas, de gelouterde kindsoldaat, wil niets liever dan door zijn nieuwe vaderland gezien en gekend worden. Tony is daar juist bang voor: hij ziet onzichtbaarheid als zijn dekking in een land waarin hij illegaal en ongewenst is. In een van de mooie scènes van Dover laat hij zich fotograferen door zijn buurvrouw, op wie hij in stilte verliefd is. Als hij de afdruk ziet, zegt hij dat er niemand op staat, wat zijn vriendinnetje in spe zeer doet schrikken – en de lezer eigenlijk ook.

Tony’s Nederlandse huisgenote is een van de twee Nederlandse personages in Dover. De andere is een voormalige topjurist die na een illegalenschandaal ontslagen wordt op zijn deftige kantoor en in een mum van tijd verwordt tot advocaat van kwade zaken. Zijn langzame terugkeer naar de beschaafde wereld, onder invloed van de zwangere Afrikaanse die hij heeft gered van verkrachting en marteling op een filmset, is de enige optimistisch stemmende lijn in een verder inktzwarte roman. Liefde overwint niet alles – Peek is niet naïef genoeg om dat in zijn roman te beweren – maar ze maakt af en toe wel iets goed.

Anders dan in De wandelaar, Adriaan van Dis’ roman over het ‘andere’ Parijs, valt er in Dover niet veel te lachen. Dat zou ook misplaatst zijn in een roman die de beschamende herinnering aan de onmenselijk behandelde Chinezen in de tomatenkoelwagen oprakelt, en die bovendien onderstreept dat de ellende van vluchtelingen in tijden van globalisatie voortdurend doorgaat, met medeweten (zij het onderdrukt, zij het verdrongen) van de gegoede westerling. Maar dat wil niet zeggen dat er in Peeks tweede roman niets te genieten valt. Zo is Dover knap opgebouwd en mooi geschreven, in staccato zinnen die worden afgewisseld met lyrische passages. Een zin als ‘Mr. Chow begreep de gouden gloed van verandering, herkende mensen die de schittering ervan niet konden weerstaan’ is maar een van de vele die je lang bijblijven.

Peek speelt bovendien slim met de wisseling van perspectief. Zo blijft het door het bijzondere begin van het boek tot het eind toe spannend – als je dat woord mag gebruiken – of Tony het zeereisje naar de haven van Dover overleeft. En na de passages waarin de advocaat moeizaam contact probeert te maken met de sprakeloze Afrikaanse die hij in huis heeft opgenomen, komt er een hoofdstuk waarin we in het hoofd van deze Aylin zitten. Een paar pagina’s volstaan om haar te laten oprijzen als een welbespraakte, intelligente vrouw die net iets te veel pech in het leven heeft gehad.

‘Hij wilde van de woorden weer mensen maken’ schrijft Peek over Tony, wanneer die met vallen en opstaan de ondertitels in de bioscoop leert te begrijpen. Zelf doet de auteur iets vergelijkbaars; hij maakt van de achternaamloze, vogelvrije immigranten in de hel van Rotterdam serieuze personages; op zo’n manier dat je zelfs sympathie krijgt voor een jongen die vóór zijn zestiende al tientallen moorden heeft gepleegd. Wie dat weet te bereiken is een schrijver om rekening mee te houden.