We doen het voor u

Vorige week pleitte Karel Berkhout voor sanering en fusie bij literaire tijdschriften. De reactie van een Awater- en Revisor-redacteur.

Van poëzie heb ik verstand. Daarom weet ik er bepaalde dingen over. Er verschijnen ongeveer 150 dichtbundels per jaar. Van 140 worden er niet meer dan honderd exemplaren verkocht. Dat is jammer, omdat je zou willen dat er van elke bundel van elke dichter minstens net zoveel zou worden afgezet als van de Belastinggids of Kluun.

Maar het is niet erg: poëziefestivals zijn uitverkocht. Het lijkt wel alsof het elke dag Gedichtendag is. De Nederlandse poëzie is in topvorm. Het buitenland is er jaloers op, verdomd als het niet waar is. Uitgevers stoppen er wat geld in, de dichters zelf soms ook en er gaat een klein beetje subsidie naartoe in de vorm van werkbeursjes voor dichters. Voor het totale bedrag dat dit kost, kun je nog geen kleuterschooltje laten witten.

Veel van die dichters breken niet echt door op termijn, dat is waar, maar je hebt nu eenmaal een jeugdopleiding nodig, dat zie je bij Ajax. Met één voetballertje op De Toekomst zijn grotere financiële belangen gemoeid dan met de totale Nederlandse poëzie. En gelukkig begrijpt iedereen dat poëzie belangrijk is. Niemand zal zo dom zijn om te betogen dat drie dichters wel genoeg zijn voor dit land.

Van opera, toneel, ballet, beeldende kunst, muziek en mime heb ik ook verstand, maar een beetje minder. Maar als u naar de opera gaat, zit er alleen op uw stoel al meer overheidssubsidie dan op de hele literatuur bij elkaar. Maar gelukkig begrijpt iedereen dat opera belangrijk is. We zijn een beschaafd land.

Ik heb heel veel verstand van literaire tijdschriften. Ik lees ze en in bijna alle heb ik ooit wel iets gepubliceerd. Ik ben redacteur van De Revisor, redacteur en medeoprichter van het poëzietijdschrift Awater en ooit redacteur geweest van Maatstaf, dat nu niet meer bestaat. Literaire tijdschriften zijn vrij chique, relatief dure periodieken waarin literatuur als kunstvorm wordt gevolgd, geboetseerd en gekneed. Er worden discussies aangezwengeld en er wordt gescout. Grote auteurs presenteren werk in wording en nieuwe auteurs krijgen hun eerste kans. Het is misschien een beetje voor insiders, maar toch: Awater verkoopt drie keer per jaar ongeveer 1500 exemplaren en De Revisor zes keer per jaar 500. Dat is meer dan 140 dichters bij elkaar afzetten.

U leest ze misschien niet elke dag, maar literaire tijdschriften worden verslonden door de professionals: recensenten, uitgevers, vertalers, neerlandici in het buitenland en schrijvers en dichters die hongerig zijn naar de nieuwste ontwikkelingen. Dit alles kost een beetje geld. De uitgeverijen betalen het meeste. Ze doen dat gul en graag omdat de tijdschriften belangrijk voor hen zijn. Deze inspanning wordt gematcht door redacteuren en auteurs die onbezoldigd of zo goed als onbezoldigd hun bijdragen leveren. En de Nederlandse overheid draagt het restant bij.

Daarbij gaat het om een bedrag van 285.000 euro per jaar, verdeeld over ongeveer tien tijdschriften. Voor dat bedrag kun je nog niet eens de shirts van een zaterdag-hoofdklasse-amateurploeg laten wassen, laat staan dat je de jeugdopleiding van Ajax ervan financiert. Het is een schijntje. Het is ridicuul. En voor dat meelijwekkende bedragje wordt een hele literaire cultuur in stand gehouden.

Ook voor u. U kunt zo naar Boekhandel Pietjepukkus gaan en losse nummers kopen. U kunt een abonnement nemen voor 65 euro per jaar (dat is iets meer dan 5 euro per maand; daar heeft u niet eens een televisiegids voor, laat staan een Foster-Parentskindje) en u heeft ongelimiteerd inkijk in het kloppend hart van de literatuur. U ziet wat wordt uitgebroed, verguisd en geprezen en leest al wat pas over tijden mondjesmaat zal doorsijpelen in uw dagblad, gesteld al dat u het juiste dagblad leest.

Literaire tijdschriften zijn een wonder. Ze zijn met liefde en toewijding samengesteld door vaklui die zelfs hun postzegels zelf betalen. Voor u. Ook al bent u met weinigen. We doen het voor u. Omdat we het belangrijk vinden om voor weinigen iets te doen wat belangrijk is.

Maar niet iedereen is hier kennelijk dankbaar voor. Vorige week stond er in deze krant een stuk van Karel Berkhout, onder de beledigende kop ‘Oprollen die bende’, waarin hij betoogde dat drie literaire tijdschriften wel genoeg zouden zijn voor dit land. Het was een dom en inconsistent stuk dat ik hier niet zal samenvatten. Zijn voorstel tot gedwongen megafusies verraadt dat hij niet weet waarover hij praat. Elk tijdschrift heeft zijn eigen signatuur. Juist de verschillen in opvatting en benadering stimuleren het debat.

Berkhout stelt voor dat zijn drie supertijdschriften zich specialiseren: de ene moet nieuw werk brengen, de andere is voor het debat en de derde moet beschouwingen leveren over maatschappij en wetenschap. Ook dat is dom. Discussie hangt samen met nieuw werk en omgekeerd, net zoals in de wetenschappen theorie en experiment niet zonder elkaar kunnen. Hij vindt de bestaande tijdschriften niet succesvol omdat ze minder bijdragen aan het maatschappelijk debat dan opiniebijlagen van kranten. Maar dat willen de literaire tijdschriften helemaal niet. Ze willen bijdragen aan het literair debat en dat doen ze in aanzienlijk hogere mate dan de opiniekaternen. Een literair tijdschrift heeft een andere doelstelling dan een opnieblad. Juist daaraan ontleent het zijn bestaansrecht.

Berkhouts grootste fout is dat hij het succes van de literaire tijdschriften definieert als commercieel succes. Ook daar beoordeelt hij de tijdschriften op grond van doelstellingen die zij zelf niet onderschrijven. Hij doet neerbuigend over redacteuren die niet geïnteresseerd zijn in winst. Dat is een regelrechte belediging voor die tientallen redacteuren die met overgave vele manuren investeren in een blad dat zij belangrijk vinden zonder dat daar enige geldelijke vergoeding tegenover staat.

Niemand die liefde heeft voor de literatuur, twijfelt aan het belang van de literaire tijdschriften. Daar wordt de literatuur van morgen geboren. Daar worden nieuwe auteurs gescout en opgeleid. Daar wordt geschiedenis gemaakt.

De aanbevelingen van het rapport Coronel om de teloorgang te stuiten van het Nederlands cultuurgoed dat Ajax ooit was, zijn dat we moeten investeren in scouts, in jeugdopleiding en dat we moeten beseffen dat Ajax Nederlands cultuurgoed betreft en geen bedrijf met louter commerciële oogmerken.

Voor de literatuur hoeven we niet eens te investeren. We hebben het al. We hoeven alleen maar te zorgen dat niemand het uit schraapzucht, onwetendheid of kwaadwillendheid kapot maakt.

Het artikel van Karel Berkhout is te lezen op nrc.nl/kunst.