Wanneer schilder ik die sterrenhemel?

Geen watermerk of kartelrand ontging de makers van de catalogus van Van Goghs late tekeningen. En wie nóg meer wil weten van deze schilder kan nu de brieven lezen die hij schreef aan zijn collega en beschermeling Emile Bernard.

Leo Jansen, Hans Luijten en Nienke Baker: Painted with Words. Vincent van Gogh. The Letters to Emile Bernard. Rizzoli, 382 blz. € 40,–

M. Vellekoop: Vincent van Gogh. Tekeningen. Deel 4 van de bestandscatalogus. Tweedelig. Waanders, 595 blz. € 99,–

Current Issues in 19th Century Art. Van Gogh Studies 1. Waanders, 203 blz. € 45,–

Vincent van Gogh behoort tot de best gedocumenteerde kunstenaars ter wereld. En dat is zijn eigen schuld. Had hij maar geen achthonderd brieven moeten schrijven – over zijn gevoelsleven, zijn dagelijkse beslommeringen en zijn teken- en schilderkunst. De meeste waren gericht aan zijn oudere broer Theo, steun en toeverlaat, zonder wie nooit zo’n beroemd oeuvre als dat van Van Gogh (1853-1890) tot stand was gekomen. Maar er zitten ook 22 brieven tussen aan collega Emile Bernard (1868-1941), die vrouwen in Bretonse klederdracht met zwierige contouren in de verf zette, en die later door het werk van Cézanne sterk werd beïnvloed.

Zeventig jaar lang waren 19 van die 22 brieven in privé-bezit, dus onzichtbaar. In 2001 kocht een Amerikaanse verzamelaar ze aan en die zal ze nalaten aan The Morgan Library/Museum in New York. Een destijds op handen zijnde tentoonstelling van diezelfde brieven aan Bernard, was reden voor The Morgan om een beroep te doen op het Van Gogh Museum in Amsterdam. Daar is er een degelijk onderzoek op losgelaten, waaruit Painted with Words is voortgekomen, een corpulent boek, bedoeld voor de internationale markt, dat 390 dikke bladzijden telt, zorgvuldig gedrukt is in China en dat alleen over die 22 brieven gaat.

Tegelijkertijd is hier het prachtige, laatste en tweedelige Deel 4 van de bestandscatalogus Tekeningen verschenen, eveneens een uitgave van het Van Gogh Museum. En last but not least ligt nu ook de eerste aflevering van Current Issues in 19th Century Art op tafel, een nieuwe, zeer verzorgde wetenschappelijke serie, waarin binnen- en buitenlandse deskundigen onder auspiciën van het Van Gogh Museum essays publiceren over zulke uiteenlopende onderwerpen als de sculpturen en de beerput van Paul Gauguin in Atuona, op Hiva Oa, Frans Polynesië, en de groeiende kunstmarkt in 19de-eeuws Parijs.

Met het brievenboek rond Emile Bernard neemt het Van Gogh Museum een voorschot op een herziene, geannoteerde uitgave van alle brieven van Van Gogh die in 2009 na jaren van studie zal verschijnen. Die editie moet de vierdelige uitgave uit 1990, toen Van Goghs 100ste sterfdag werd herdacht, in volledigheid overtreffen.

Painted with Words bestaat uit een doorwrochte inleiding, facsimiles (Frans), transcripties, Engelse vertalingen, registers plus uitgebreide notenapparaten en je komt er veel kleurenreproducties in tegen van tekeningen en schilderijen die Van Gogh meer of minder terloops ter sprake brengt. De brieven aan Bernard zijn geschreven tussen 1887 en ’89, Van Goghs laatste levensfase, waarin het alleenzijn in Arles hem zwaar viel.

In diezelfde tijd schreef Van Gogh ook regelmatig naar Bernards vriend Gauguin. In de vijftien jaar oudere Gauguin zag hij zijn meerdere – ‘een ongerept wezen met de instincten van een wilde’. Dat zulke ongetemde lieden elders op de wereld ‘één keer per maand iemand opaten’, vond Van Gogh helemaal geen bezwaar, dat hoorde er gewoon bij. Het teveel aan respect stond een onbevangen relatie met Gauguin in de weg, maar dat lag anders bij de vijftien jaar jongere Bernard, zijn ‘petit Bernard’ met wie hij in Parijs zo graag rondscharrelde op de ‘petits boulevards’, en bij wie hij meer van zichzelf durfde te laten zien. Van Gogh nam hem onder zijn hoede, moedigde hem aan, probeerde zijn werk aan de man te brengen via zijn broer Theo in Parijs en kritiseerde zijn doeken en sonnetten (‘Dus, mijn beste, je bijbelse schilderijen, dat is hopeloos’). Vaker nog deelde hij complimenten uit, en dat zal de lastpost die de van de academie getrapte Bernard was, vleugels hebben gegeven: ‘Misschien heeft vóór mij niemand zoveel van je werk gehouden als ik’, schreef hij, en daar was geen letter van gelogen. Dat voelde Bernard ook, zo blijkt uit brieven aan zijn ouders.

Bernard en Van Gogh hadden elkaar vermoedelijk in 1886 leren kennen op de Parijse tekenschool van Fernand Cormon. Daar schaarden studenten zich rond een (naakt)model – vlees of gips – dat bij Van Gogh plastisch of schematisch op papier kwam te staan. In zijn eerste brief, de enige aan Bernard uit die Parijse tijd, trok hij meteen al vaderlijk van leer. Bernard moest Tolstoj lezen, pointillistisch collega Signac niet zo neerbuigend behandelen, voor zijn gezondheid zorgen, en het zou fijn zijn als hij zich ook inzette voor de oprichting van een kunstenaarsvereniging, om samen te werken, elkaar financieel te steunen, want ‘alleen eenheid maakt macht’.

Of Bernard last had van dezelfde schroom als Van Gogh jegens Gauguin, blijft onbekend. Diens brieven zijn nooit opgedoken. Het feit dat hij Vincent schreef over zijn bordeelbezoeken en dat beide heren onbekommerd roddelden over het seksuele gedrag van collega’s, zegt wel wat over hun kameraadschap: ‘Waarom zeg je dat Degas niet lekker neukt?’, antwoordt Van Gogh op een vermeende brief van Bernard: ‘Degas leeft als een klein notarisje en houdt niet van vrouwen’ [...] ‘Hij ziet de menselijke dieren die sterker zijn dan hij, naaien en neuken en hij schildert ze goed, juist omdat hij er zelf niet zo op uit is om te neuken. Rubens! Ach ja, dat was een knappe man en neukte er flink op los. Courbet ook’. [...] ‘Wat jou betreft, waarde vriend Bernard, [...] neuk niet te veel, als je niet te veel neukt, zal je schilderwerk er alleen maar mannelijker op worden’.[...] ‘Als wij flink blijven klaarkomen in ons werk, dan moeten wij er soms vrede mee hebben dat we weinig neuken en voor de rest, naar gelang ons temperament dat eist, leven als een soldaat of een monnik’.

Behalve als kameraad en vaderfiguur manifesteert Van Gogh zich als gelijkwaardig collega die ook wel eens worstelt met ruimtelijkheid, kleurcontrasten en verhoudingen. Samen waren ze dol op Japanse houtsneden, vanwege hun levendigheid, kleurcontrasten, onwennige composities en gedurfde afsnijdingen. Van Gogh waant zich op weg van Parijs naar de Provence zelfs al in Japan, schrijft hij uitgelaten. Vanuit Arles stuurt hij Bernard kleine schetsen en beschrijft hij in geuren en kleuren hoe het landschap of de hoek van een tuin er in verf uit moet gaan zien. [...] ‘want de zuidelijke hemel en de blauwe Middellandse Zee geven een oranje dat des te intenser is naarmate het gamma van de blauwen qua toon meer is opgevoerd’. Hij draagt kunsthistorische voorbeelden aan, van Giotto tot Corot, en houdt hem exact op de hoogte van zijn vorderingen, plannen en stemmingen: ‘Maar wanneer zal ik de sterrenhemel maken, dat schilderij dat ik voortdurend in mijn hoofd heb? [...] de mooiste schilderijen zijn die waarvan je droomt als je in bed een pijp ligt te roken, maar die je nooit maakt’.

Dat schilderij met de sterrenhemel kwam er wél, in juni 1889, 13 maanden voor zijn zelfmoord. Van Gogh was steeds voor dat thema teruggedeinsd omdat het ‘abstract’ was. Nee, liever de natuur, want die gaf hem houvast. Bladerend door de honderden pagina’s van dat vierde deel van die schitterende bestandscatalogus Tekeningen kom je als schets geen sterrenstudie tegen. Je kunt er stap voor stap wel de andere studies in traceren waarover Van Gogh aan Bernard en Theo heeft geschreven.

Liever dan dat soort fact finding wandel je met Van Gogh mee, langs korenvelden en boomgaarden, langs hutten en olijfbomen, en langs de verten, rondom Arles. Alle akkers en tuinen die hij vanaf de heuvels bij Montmajour overzag, gaf hij met zijn zelf gesneden rietpen – streep voor streep, stip voor stip – ritme, volume, diepte, weidsheid. Juist dat vergezicht bij Montmajour, over de vlakte van La Crau, is zo’n toonbeeld van harmonie dat oog in oog met dit zachtgolvend Arcadië de werkelijkheid alleen maar kan tegenvallen. Je ziet er ook aan af dat Van Gogh blij en hoopvol is in dat verre Zuiden: ‘Ik werk zelfs midden op de dag, in de volle zon, zonder enige schaduw, in de korenvelden, en zie, ik geniet ervan als een krekel.’

Bij Montmajour had Van Gogh nog de rust en het engelengeduld om er eens goed voor te gaan zitten. Dat lukt hem veel minder in de inrichting in Saint Rémy, waar hij korte tijd later wordt opgenomen. De schetsen van de tuin daar zijn gejaagder, warriger en grover in lijnvoering. Je vraagt je af tot welke verregaande ‘moderniteit’ en tot welke door hem gevreesde ‘abstractie’ die meer onbesuisde manier van werken had geleid als er aan alles niet vroegtijdig een eind was gekomen. Daar in Saint Rémy grijpt Van Gogh ook terug naar vroegere thema’s, zoals de aardappeleters en klassieke studies van verschillende handstanden.

Alle bijna tweehonderd tekeningen uit Van Goghs laatste levensfase – hij liet er in totaal circa duizend na – zijn nu ook onderzocht, beschreven, ingebed in Vincents brieven en omstandigheden, uitgebreid geannoteerd, en voorzien van weer andere studies, schilderijen, houtsneden, ansichtkaarten en foto’s die nóg meer opheldering geven over mens of ding of landschap, in heden en verleden. Geen watermerk of kartelrand is de onderzoekers ontgaan. En wie weer eens een schetsboekje wil vervalsen kan er ook van leren dat Van Gogh de meeste schetsen niet signeerde. Had hij dat wél gedaan dan zeker niet zo parmantig als in het recent, in Griekenland opgedoken ‘schetsboekje’.

De bestandscatalogus eindigt met een schets van oogstende boerinnen, gemaakt in Auvers-sur-Oise, niet ver van Parijs, waar Van Gogh onder het toeziend oog van Dr. Gachet zijn laatste dagen sleet. Vreemd genoeg komen de vrouwfiguren tussen de korenhalmen sterk overeen met de wijze waarop Bernard ze vaak heeft weergegeven – met lichaamscontouren die als wijde blouses in de wind opbollen en neerzijgen.

In Auvers werd de oogst halverwege juli binnengehaald – eind juli was Van Gogh dood. Emile Bernard zou hem vijftig jaar overleven. En zoals het een goede vriend betaamt heeft hij zich nogal wat moeite getroost om het werk van zijn vriend meer bekendheid te geven. De roem bleef niet lang uit en had Van Gogh een comeback kunnen maken op deze planeet dan zouden niet alleen het museum en het hoge aantal bezoekers, maar vooral deze imposante standaardwerken, waarin ook al zijn vingeroefeningen zijn opgenomen, hem verbijsterd hebben. Want tot zijn dood had eigenlijk alleen Theo hem als kunstenaar serieus genomen.