Waarom slaat hij niet gewoon?

Wat is ‘verkrachten’ eigenlijk en hoe hebben juristen, medici, darwinisten en feministen daar de laatste eeuw tegenaan gekeken? Een inventarisatie van visies, op ‘de dader’.

Joanna Bourke: Rape. Sex, Violence, History. Shoemaker/Hoard, 556 blz. € 43,–

Anke Bernau: Virgins. A Cultural History. Granta Books, 232 blz. € 32,75

Komt een vrouw bij de dokter. Ze moet een lange lijst vragen over haar gezondheid. beantwoorden. ‘Bent u ooit verkracht?’ vraagt de dokter ineens. Ze schrikt, denkt even na, stelt een wedervraag: ‘Valt slechte seks daar ook onder?’

Nog eentje. Toen ik in 1991 een jaar in Amerika ging studeren, kreeg ik ter voorbereiding van mijn verblijf op de campus een aantal instructievideo’s te zien. De eerste ging over roofovervallen, de tweede over heimwee, en de derde over date rape. Laatstgenoemde video bevatte schokkende statistieken: één op de vier vrouwen krijgt tijdens haar studie met date rape te maken. De video bevatte een aantal tips (‘wees alert als je date de deur zomaar op slot doet’). Het meest angstaanjagende was het profiel van de verkrachter: dat was niet de onbekende, enge man in een steegje, maar the college boy next door. Koud twee dagen in Amerika kreeg ik te horen dat er in al mijn mannelijke medestudenten een potentiële verkrachter schuil ging.

Joanna Bourke, hoogleraar geschiedenis van het Birbeck College in Londen, zou zich met beide verhalen wel raad weten. In haar lijvige, indrukwekkende cultuurgeschiedenis over verkrachting, analyseert ze verschillende visies daarop. De opzet van dit boek is vergelijkbaar met haar vorige boek Fear. A Cultural History (besproken in Boeken 20.05.05): een erudiete, maar ook soms wat chaotische mengeling van anekdotes, cultuurgeschiedenis en cultuurkritiek. Bourke richt zich daarbij op de dader, niet op het slachtoffer.

De term verkrachter bestaat pas sinds 1883. Toen werd de verkrachter een personage en een onderwerp in met name medische en psychiatrische literatuur. Sinds de 19de eeuw zijn er juridische, psychiatrische, darwinistische en feministische vertogen, die elkaar aanvullen en tegenspreken over de oorzaken, de verantwoordelijkheid en de definitie van verkrachting. Volgens darwinisten gaat verkrachting over ‘voortplanting’, volgens psychologen over een ‘defect in de opvoeding’ of ‘seksuele frustratie’ en volgens veel feministen gaat verkrachting ‘niet over seks, maar over geweld’. Bourkes doel is om te laten zien dat het veranderende vertogen zijn die narratieve structuren genereren die de populaire cultuur, de rechtspraak, medische behandeling (praten, hormonaal behandelen of castreren) en de politiek beïnvloe(d)den.

Bourke stelt uit pragmatische overwegingen voor om te spreken van verkrachting of seksueel misbruik in het geval van ‘any act called such by participant or third party’. Er moet sprake zijn van een seksuele handeling en die moet als ongewenst zijn aangemerkt en toch zijn doorgezet. ‘Slechte seks’ kán dus in sommige gevallen ‘verkrachting’ zijn en de dader hoeft geen onbekende te zijn. De term date rape is een jonge term, die mede dankzij feministen in de jaren zeventig en tachtig op de kaart is gezet. Zonder het feminisme, stelt Bourke, waren bepaalde vormen van verkrachting, bijvoorbeeld binnen het huwelijk, niet strafbaar geweest. Feminisme heeft vrouwen ook weerbaarder gemaakt tegen seksueel geweld.

Toch uit Bourke ook stevige kritiek op de weerbaarheidsideologie van het feminisme: de instructievideo uit het voorbeeld definieert het vrouwelijke lichaam bij voorbaat al als een kwetsbare locatie die zich altijd moet wapenen tegen een mogelijke aanval en mede verantwoordelijk wordt gemaakt voor wat haar overkomt. De vrouw is daarmee per definitie een potentieel slachtoffer en de man, als onderdeel van het patriarchaat, per definitie potentieel een dader. Bourke verzet zich ook tegen de feministische opvatting dat verkrachting ‘geweld zou zijn, geen seks’. ‘Als het geweld is, waarom sloeg hij haar dan niet gewoon?’ aldus citeert ze instemmend filosoof Catherine McKinnon.

Bourkes boek concentreert zich vervolgens op een aantal ‘verkrachtingsmythes’, argumenten die tevens het vaakst door verkrachters ter verdediging worden aangevoerd: ‘ze zei nee, maar ze bedoelde ja’; ‘vrouwen liegen over verkrachting (false memory)’, ‘er is geen wond, dus ook geen verkrachting’; ‘er waren drank en drugs in het spel’. Ook traceert ze het ontstaan van racistische en biologistische mythes, zoals ‘laag opgeleide en Afro-Amerikaanse mannen verkrachten vaker’ en ‘verkrachting is een uit de hand gelopen seksuele agressie, een gradatie van mannelijke potentie’.

Ervaren pen

Tegelijkertijd met Bourkes boek verscheen nóg een cultuurgeschiedenis over ‘nee tegen seks’. Mediëvist Anke Bernau schreef een cultuurgeschiedenis van de maagdelijkheid. Ze ontbeert de intellectuele scherpte en ervaren pen van Bourke, maar werpt wel veel behartigenswaardige vragen op en laat zien hoe in de loop van de geschiedenis de antwoorden erop verschuiven, bijvoorbeeld: is maagdelijkheid localiseerbaar in het lichaam of is het een spirituele levensovertuiging?

Bernau schenkt daarbij wel erg veel aandacht aan de Middeleeuwen; de seksuele revolutie van de jaren zestig wordt jammer genoeg in een paar zinnetjes afgedaan. Het medische, religieuze (het christendom, de islam komt niet aan bod), culturele en het politieke vertoog passeren de revue. Ze laat zien hoe ‘maagdelijkheid’ door de eeuwen heen gekoppeld wordt aan waardeoordelen als ‘puur’, ‘onontgonnen’ en ‘onschuldig’ en de grenzen afbakent tussen kind en volwassen, leven en dood.

Ik heb het meeste genoten van de analyses van enkele trends uit de hedendaagse cultuur, zoals de succesvolle film The Virgin Suicides, waarin vijf ‘maagden’ zelfmoord plegen, en de hernieuwde bloei van de maagdelijkheidcultus in de Verenigde Staten, waar jonge vrouwen een contract met hun vaders tekenen om als maagd het huwelijk in te gaan. Die cultus drijft op vele ‘maagdelijkheidmythes’, stelt Bernau. Dat casual sex niet lekker zou zijn, en echtelijke seks wél, bijvoorbeeld. Seks zou over een positief ‘ja’ moeten gaan, stellen beide auteurs, „yet ‘no’ sounds erotic to many people, particularly men”, aldus Bourke. Op dit uitgesproken ‘nee’-punt komen de boeken bij elkaar. Het waarderen en zelfs cultiveren van het vrouwelijke ‘nee’ maakt, zo meent Benau, nog altijd de hardnekkige kern uit van de good girl of ‘deugdzame vrouw’.

Jammer dat Bernau nauwelijks aandacht besteedt aan maagdelijkheid en mannen. Als maagdelijkheid iets is van de vrouw, is het voor (sommige) mannen dan cultureel en traditioneel gezien iets ‘waar je zo snel mogelijk van af moet’? Zoals maagdelijkheid door Bernau vooral wordt gekoppeld aan het denken over vrouwelijkheid, zo beschouwt Bourke verkrachting als een crisis van mannelijkheid. Ze verzet zich tegen universalistische opvattingen (‘in álle mannen schuilt een verkrachter’ of ‘verkrachtingsfantasieën uit pornografie of MTV faciliteren een verkrachtingscultuur’) omdat het de individuele verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om anders te handelen negeert.

Als historica hamert zij voortdurend op de veranderlijkheid van en de strijd tussen verschillende opvattingen. Wat niet verandert, is dat ‘mannelijkheid’ steeds de kern uitmaakt van het daderschap. Er bestaan ook (zij het veel minder) vrouwen die verkrachten, maar die worden prompt als ‘mannen’ beschouwd. Lynndie England, de vrouwelijke soldaat die Iraakse gevangenen seksueel mishandelde, werd gezien als een ‘phallic female’, als ‘tomboyish’ en een ‘leash-girl – alles behalve een ‘natural lady’. ‘The Female is erased and coded as Male’. Mannelijke slachtoffers daarentegen worden beschouwd als ‘social women’.

Avondklok

Om mannelijkheid te politiseren, stelt Bourke voor om de straf voor verkrachters niet te individualiseren door de sanctie op verkrachting omhoog te gooien (dat blijkt daders niet te weerhouden), maar om deze op de schouders van álle mannen te leggen. Te denken valt aan een avondklok in gevaarlijke buurten waarbij alle mannen moeten binnen blijven en geen alcohol mogen consumeren. Ook stelt ze een (talige) politiek van mannelijkheid voor die de aandacht richt op het mannelijke lichaam als een bron van plezier in plaats van een instrument van pijn en onderdrukking.

En zo landt Bourkes boek in een debat dat sinds kort op de agenda is gezet: mannelijkheid. De neoconservatieve politicoloog Harvey Mansfield pleitte onlangs met veel borstgeroffel voor ‘eerherstel’ daarvan en voor een terugkeer naar duidelijke rolpatronen. Uit Bourkes boek blijkt dat verkrachting vaker voorkomt in landen waar traditionele rolpatronen zegevieren. Met een herstel van de retoriek van ‘eer’, zo blijkt uit deze twee diepgravende, intelligente boeken, wordt de crisis van vrouwelijkheid en mannelijkheid alleen maar dieper.