Verhitte fantasieën in de polder

Een land van bijbelse figuren, een zwoele regio, een onbedorven, oord. Dat stelden Nederlanders zich achtereenvolgens voor bij de Oriënt, zo leert een mooi geïllu- streerde studie van Jan de Hond.

Jan de Hond: Verlangen naar het Oosten. Oriëntalisme in de Nederlandse cultuur ca. 1800-1920. Primavera Pers, 424 blz. € 37,50

Het werd hoog tijd: dertig jaar na Edward Saids spraakmakende Orientalism verschijnt er nu een brede studie over Nederlandse beeldvorming over de Oriënt, ofwel het islamitische Midden-Oosten. Jan de Honds rijk geïllustreerde Verlangen naar het Oosten beperkt zich tot de periode tussen 1800 en 1920, maar maakt duidelijk dat de problematische Nederlandse omgang met de islam niet van vandaag of gisteren is. De Hond is conservator bij het Rijksmuseum, en dus goed geplaatst om de ontwikkeling van het Nederlandse oriëntalisme te traceren. Als kunsthistoricus richt hij zich vooral op de schilderkunst, de architectuur en op boekillustraties; maar ook de Nederlandse literatuur komt uitvoerig aan bod. Anders dan Said richt De Hond zich echter nauwelijks op de wetenschappelijke oriëntalistiek. Die zelf opgelegde beperking is verdedigbaar maar jammer: in de 19de eeuw speelden immers Nederlanders, de beroemde islamoloog Snouck Hurgronje voorop, een maatschappelijk en politiek invloedrijke rol in de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis van het Morgenland.

‘Oriëntalisme’ was oorspronkelijk de benaming voor een 19de-eeuwse stroming in de schilderkunst die de Oriënt tot thema had; maar sinds Saids boek verwijst de term algemener naar dominante westerse manieren waarop het islamitische Midden-Oosten wordt bekeken, beschreven en afgebeeld. Doordat De Hond zich oriënteert op Said en zijn voornaamste critici doet zijn boek in theoretisch opzicht wat gedateerd aan. Ook zijn studies over ‘beeldvorming,’ die ertoe neigen feitelijke verhoudingen ondergeschikt te maken aan de wensen en fantasieën van degenen die ze afbeelden of beschrijven, een beetje een verschijnsel van de jaren tachtig en negentig. Zo laat ook De Hond zich niet uit over de invloed van de diepgaande veranderingen in de 19de-eeuwse Oriënt op de Europese visies van die tijd. Evenmin bespreekt hij bijvoorbeeld Peter Gays invloedrijke herwaardering van 19de-eeuws Europa. Maar zulke punten van kritiek doen weinig af aan het belang van zijn studie, en aan de rijkdom aan details waarmee hij zijn bevindingen presenteert.

Berg Ararat

Een eerste fase of dimensie die De Hond bespreekt is het zogeheten bijbelse oriëntalisme. Door de opkomst van de historisch-kritische bijbelstudie werd het in de 19de eeuw mogelijk de Bijbel als een literaire tekst in plaats van een heilig boek te lezen, en specifieker als een oosterse tekst die voor een oosters publiek geschreven was. Evangelische tegenstanders van deze kritische benadering, die juist de letterlijke waarheid van de Schrift wilden aantonen, gingen op een al even historiserende manier te werk: ze gingen in de Oriënt naar historische bewijzen voor bijbelse gebeurtenissen zoeken. Zo werd menige expeditie ondernomen naar de berg Ararat, op zoek naar sporen van Noachs ark die daar gestrand zou zijn.

Bij kunstenaars behelsde het bijbelse oriëntalisme vooral de neiging om antieke bijbelfiguren af te beelden in de klederdracht van de bedoeïenen van hun eigen tijd. Eerdere schilders, zoals Rembrandt, hadden al iets dergelijks gedaan; maar de 19de-eeuwse neiging was grootschaliger en systematischer. Ze leidde tot een ware ‘arabisering van de Bijbel,’ zoals De Hond het noemt. Zo liet de bekende bijbelillustrator J.H. Isings (1884-1977) Jezus een Arabische hoofddoek dragen, van het soort dat je ook in films als Lawrence of Arabia ziet. Op deze manier ontstond een invloedrijk beeld van de bijbelse wereld, dat tot vandaag de dag heeft stand gehouden.

Van een heel andere orde was de tweede dimensie van het Nederlandse oriëntalisme: dit was niet religieus maar veeleer literair van karakter. Diverse Nederlandse dichters waardeerden de Arabische poëzie op als de rijke, primitieve en directe traditie van een natuurvolk, en daarmee als een tegenhanger van de Grieks-Latijnse oudheid. Sommigen gaven uiting aan zulke affiniteiten in hun kledij: Bilderdijk tooide zich met een tulband, Potgieter en Perk liepen rond met een Ottomaanse fez op hun hoofd. Anderen lieten zich door klassieke Arabische en Perzische dichters inspireren, zoals J.H. Leopold in zijn dichtbundel met de veelzeggende titel Oostersch (1922).

Maar belangrijker dan zulke poëtische inspiratiebronnen waren de verhitte fantasieën van het islamitische Midden-Oosten als een oord van overdaad en armoede, van exotische geuren en kleuren, en niet in de laatste plaats van vrije seks. Dit was de tijd dat de Vertellingen van 1001 nacht geliefd werden, zij het in doorgaans sterk gekuiste vertalingen. Dit was ook de tijd dat kunstschilders als Marius Bauer wereldroem verwierven met hun doeken over de sensuele Oriënt. De Hond maakt duidelijk dat seksualiteit een centrale rol in beeldvorming speelt. De zwoele Oriënt als een land van harems, polygamie, knapenliefde en flitsscheidingen, kortom allerlei vormen van seksualiteit die in het zedige westen taboe of verboden waren, diende vooral als contrast voor het zelfbeeld van Nederland als een ‘morele natie’. Maar ook was ze een projectie van eigen erotische fantasieën en verlangens, zoals bijvoorbeeld in Louis Couperus’ voor die tijd verbazingwekkend expliciete roman De berg van licht (1905). Terecht merkt De Hond op dat deze verheerlijking van ongeremde seksualiteit samenhangt met onvrede over de opkomende Victoriaanse en burgerlijke moraal, maar geen reëel alternatief bood voor het geregelde westerse leven.

Onbehagen

Een laatste vorm van oriëntalisme die De Hond beschrijft is de laat-19de-eeuwse visie van een onbedorven Oosten. Na 1870, schrijft hij, werd de Oriënt minder nadrukkelijk als sensueel voorgesteld, en sterker als pittoresk en tijdloos, nog in direct contact met de natuur, en gezegend met een islamitisch-mystieke spiritualiteit die het moderne westen ontbeerde. Deze idealisering van een spirituele Oriënt verklaart hij uit opkomend onbehagen over het materialisme van de industriële westerse samenleving en over de Europese koloniale overheersing.

De Honds studie leest vooral als een inventarisering van een immens en belangrijk gebied: zijn rijkdom aan details, afbeeldingen en anekdotes maakt zijn betoog levendig, maar ontneemt er analytische scherpte aan. Hij zoekt ook niet zozeer naar brede verklaringen, maar wil in eerste instantie recht doen aan de geheel verschillende achtergronden en motivaties van de diverse personen die hij beschrijft. Daardoor zet hij zich in zijn conclusie ook af tegen Edward Saids visie, die de hardnekkigheid van de oriëntalistische contrastering van oost en west verklaart uit machtsverschillen, en met name uit de koloniale overheersing. Volgens De Hond zijn het echter niet de strikte tegenstellingen tussen moreel, beschaafd en modern westen en sensuele, statische en exotische Oriënt die ertoe doen, maar eerder de veranderende waarderingen die er aan zulke tegenstellingen worden gegeven. Die twee sluiten elkaar natuurlijk niet uit: zowel westers superioriteitsdenken als de verheerlijking van een tijdloze oriëntaalse spiritualiteit gaat immers uit van de veronderstelling dat de islamitische wereld een statische of zelfs stagnerende samenleving zonder eigen geschiedenis zou zijn. Uiteenlopende waardeoordelen kunnen gebaseerd zijn op dezelfde – en duidelijk aanvechtbare – begrippen en tegenstellingen. De vraag rijst dan waarom juist die noties en tegenstellingen zo aantrekkelijk zijn.

De Hond laat zich nauwelijks uit over vergelijkende ontwikkelingen elders in Europa. Het hoogtepunt van het Nederlandse oriëntalisme valt volgens hem in de decennia rond 1900, beduidend later dan in Engeland en Frankrijk; ook hadden Nederlanders minder belangstelling voor oriëntaalse thema’s dan bijvoorbeeld Belgen, Duitsers en Denen.

De Hond geeft enkele aanzetten tot verklaring (zo rept hij van de sterk afnemende Nederlandse handel met de Levant na de 17de eeuw, en van de Nederlandse angst voor pan-islamistische ideeën die vanuit Istanboel en Mekka naar Nederlands-Indië zouden kunnen overwaaien) maar erkent zelf al dat die onbevredigend zijn. Andere vragen die nog op een antwoord wachten zijn in hoeverre het Nederlandse oriëntalisme vooral een binnenlandse ontwikkeling is, of veeleer een Frans of Engels importproduct; en wanneer en waarom Nederlanders juist de islamitische Oriënt als favoriete tegenpool gaan opvatten, meer dan bijvoorbeeld nabijer buren als Duitsers of recenter de Russen.

Maar misschien de belangrijkste vraag die De Honds boek opwerpt is waarom onze hedendaagse islam- en Oriëntbeelden op zoveel punten het volstrekte tegendeel zijn van die van de 19de eeuw. Eén van de belangrijkste vroege christelijke bezwaren was dat het islamitische recht het huwelijk niet als een sacrament maar als een contract beschouwt: dat zou echtscheiding te gemakkelijk maken en dus aanzetten tot zedeloosheid. Vandaag de dag is het dominante beeld van de islamitische huwelijksmoraal bijna precies het tegendeel hiervan. Je zou van De Hond of iemand anders graag een studie zien die beschrijft hoe en waarom deze omslag zich heeft voorgedaan. Het antwoord op zulke vragen valt ver buiten het bestek van zijn boek, dat tot 1920 loopt; ook zou het vermoedelijk niet simpelweg in termen van veranderende beeldvorming kunnen worden geformuleerd. Niet alleen de westerse manier van kijken en verbeelden is in die tussentijd veranderd, ook de oosterse wereld zelf is een totaal andere dan honderd jaar geleden. De rol die de oriëntalistische verbeelding daarin heeft gespeeld is onmiskenbaar: fantasieën kunnen tot feiten worden, en afbeeldingen tot maatschappelijke werkelijkheden, zowel voor de verbeelders als voor degenen die zijn afgebeeld. Het is De Honds verdienste dat zijn boek een solide basis legt voor verder onderzoek naar zulke vragen.