Televisie verdreef de propagandaposter

James Aulich: War Posters. Weapons of Mass Communication. Thames & Hudson, 256 blz. € 34,50

Niet alleen de wapenindustrie heeft geprofiteerd van de bloedige mondiale conflicten van de 20ste eeuw. Ook de reclamebranche spon garen bij beide wereldoorlogen. Regeringen, die aan het begin van de eeuw nog neerkeken op reclamemakers, bleken al snel niet zonder hun expertise te kunnen. De effectiviteit waarmee grafisch ontwerpers en tekstschrijvers overheidspropaganda voor het voetlicht wisten te brengen, maakte dat het establishment hun werk niet langer als plat en goedkoop beschouwde.

In het prachtig verzorgde War Posters: Weapons of Mass Communication doet samensteller James Aulich deze ontwikkeling uit de doeken. In een tijd zonder televisie en internet, was een poster in de publieke ruimte de belangrijkste manier waarop de bevolking in groten getale bereikt kon worden. Het Londense Imperial War Museum heeft vanaf het begin van de 20ste eeuw duizenden van dit soort posters verzameld.

Uit deze schat aan beeldmateriaal heeft Aulich een uitgebreide selectie gemaakt. Maar hij doet in War Posters meer dan de honderden kleurenillustraties van bijschriften voorzien. Hij komt met een grondige analyse van de maatschappelijke positie van de reclamemakers, de beeldtaal die gebruikt werd en de historische invloeden die doorschemerden in de posters. Daarbij beperkt hij zich niet tot de oorlogsposters van de westelijke geallieerden, maar gaat hij ook in op het propagandamateriaal van de Duitsers, Italianen en Russen.

De Britse en Amerikaanse posters maakten in de loop der jaren de sterkste ontwikkeling door, toont Aulich aan. Tijdens WO I werd de (mannelijke) burger over het algemeen gebiedend of dreigend toegesproken. ‘Your country needs you!’, ‘Women of Britain say – GO!’, ‘Daddy, what did YOU do during the war?’ Het conflict met de nazi’s maakte het mogelijk om de bevolking aan te spreken op een positiever manier: als de nobele voorvechters van vrijheid en democratie.

Totalitaire regimes – van keizerlijk Duitsland tot Sovjet-Rusland – tapten meestal uit slechts één vaatje: de tegenstander is verschrikkelijk en als wij hem niet vernietigen wacht ons volk een gruwelijke ondergang. Die insteek levert posters op waarop heel wat minder geglimlacht wordt dan op de Britse en Amerikaanse. Bloed en verwoestingen hebben de overhand.

De komst van tv en internet, maakte dat de overheid niet langer afhankelijk was van posters om zijn boodschap op visuele wijze onder de aandacht te brengen. De propagandaposter is daarmee niet uit het straatbeeld verdwenen. Opvallend genoeg zijn het sinds de Vietnam-oorlog juist anti-oorlogsactivisten die gebruik maken van de beeldtaal die zestig jaar eerder was ingezet om burgers naar de wapens te doen grijpen. Wat dat betreft hebben de reclamemakers hun werk goed gedaan. De iconografie die ze hebben geschapen, heeft ook los van zijn oorspronkelijke doel zijn kracht behouden.