Stopwoord-klasse

Hebben we in Nederland nog een geheugen? Heb ik me eerder afgevraagd, en nu weer, naar aanleiding van de reacties op het rapport van de commissie Dijsselbloem over de toestand van het onderwijs. Onthutst, geschokt waren de media en de publieke opinie. Het is op zichzelf goed dat weer een commissie na grondig onderzoek verklaart dat er heel veel niet deugt. Maar is dit een onthulling?

Ongeveer aan het begin van deze eeuw kwam het Max Gote Kennisinstituut van de Universiteit van Amsterdam met het bericht dat meer dan een miljoen volwassen Nederlanders ‘functioneel analfabeet’ waren, dat wil zeggen, niet in staat eenvoudige formulieren te begrijpen, laat staan in te vullen. Ik heb er toen een stukje over geschreven met de strekking dat analfabetisme erfelijk kan zijn. Er is een grote kans dat ouders die niet goed kunnen lezen en schrijven dit gebrek overbrengen op hun kinderen. Scholen kunnen nog zo goed zijn, maar de eerste vaardigheden, en daarmee verbonden de nieuwsgierigheid, leer je nu eenmaal van je vader en moeder.

Toen sloeg het Holland Casino alarm. Er waren geen mensen meer die goed genoeg uit hun hoofd konden rekenen om croupier te worden. Volgend alarm, acht jaar geleden. De voormalig directeur van het hoger onderwijs, Roel in ’t Veld riep op tot burgerlijke ongehoorzaamheid om te protesteren tegen de treurige toestand van de scholen. In 2003 dreigde de voorzitter van de Universiteit van Leiden, Loek Vredevoogd, een paar etsen van Rembrandt te verkopen om het gat in zijn begroting te dichten. Een paar maanden geleden was het de Vrije Universiteit: steeds meer eerstejaars kunnen niet goed spellen. Intussen blijven de kabinetten investeren in onze kenniseconomie.

Langzamerhand groeit er een nieuwe klassenmaatschappij. Als er nog een proletariaat zou zijn, dan is dat niet meer georganiseerd. Een paar weken geleden zaten zeven miljoen mensen naar een klein leugenaartje te kijken en deze week beleven we de wonderbaarlijke herrijzenis van Johan Cruyff, de redder. Onder zulke omstandigheden is het volk klassenloos.

Het verschil openbaart zich als het op zelfstandig schrijven, lezen en spreken aankomt. Dit jaar zullen in de Boekenweek meer boeken dan ooit worden verkocht, en toch lezen steeds minder mensen een boek. Daar heb je het.

Wie zich empirisch wil overtuigen geef ik de raad, een paar dagen de gesprekken in het openbaar vervoer af te luisteren. Mijn stelling is dat onze nieuwe onderklasse zich met meer omhaal van woorden zich steeds onnauwkeuriger uitdrukt.

Een voorbeeld. Meisje A, een jaar of negentien, doet haar vriendin verslag van een ruzie. Ze zegt: Dan heb ik zoiets van, jaaa, dàhàg, begrijp je? Meisje B: Precies! Bekijk het, zeg maar. Toch? Meisje A: Jawel, maar dat heeft dan toch weer weinig zin, eigenlijk. Meisje B: Word je dan emotioneel of zo?

Op die manier ging het nog een paar haltes door. Die meisjes zagen er keurig uit; niets proletarisch. De nieuwe klasse kenmerkt zich onder andere door met hypersnelheid een overmaat aan stopwoorden te gebruiken. De snelheid tast de verstaanbaarheid aan, het stopwoord is de vijand van de inhoud. Of zo. Eigenlijk.