Seksuele ambivalentie

Een bezoeker voelt zich niet lekker bij het huis dat de Mexicaanse architect Luis Barragán voor zichzelf ontwierp. Onrust en broeierigheid grijpen hem naar de keel. En hij vindt uit, waarom..

Theater was Luis Barragán niet vreemd. Hij verschool zich in de theatrale geste en ontwierp zijn huis ten dienste van die geste. Zijn gast wachtte in het portaal, en hij, de architect, dook op uit de hal en stond met zijn lange lichaam in de deuropening bovenaan het trapje met de zeven treden. Een beetje als een melancholieke dandy, zo suggereren foto’s. Maar minder flamboyant: half dandy, half monnik.

De gids vroeg mij om Barragán te zijn, en ik besteeg de treden en overzag het groepje Amerikaanse architectuurstudenten waarin ik verzeild was geraakt. Ze keken naar me op en begonnen te lachen, verlegen. Zo zette Barragán dus de toon. Werd je door hem uitgenodigd, dan trad je in zijn wereld binnen en moest je aan zijn regels gehoorzamen, meespelen in zijn spel.

De trap in de hal had geen leuning, maar een gelig licht lonkte. We gingen niet omhoog, we werden naar het woonvertrek gebracht. Er was een bank, een tafel met een schaal, een dressoir met ingelijste afbeeldingen van paarden, er was een lessenaar met een opengeslagen boek en een portret van een fotomodel, mooi zoals een paard mooi kan zijn. Alles was door hem aangeraakt, opgepakt, betast, maar we mochten nergens aankomen, we mochten niet afdwalen, moesten dicht bij elkaar blijven, we mochten amper bestaan en waren als schimmen in het huis van een dode.

Hij won het van ons, hij was méér aanwezig. Het waren niet alleen de meubels, het hele huis was door hem uitgedacht. Elke blik, elke stap en elk perspectief had hij voorzien. Hij was niet ín de ruimte, hij was de ruimte, we liepen in hem rond.

De woonkamer was hoog, met een plafond van houten balken. Ze leidden de blik naar buiten, door een glazen wand. Het deed modern aan, helemaal de openheid van de twintigste eeuw. Maar uitzicht kreeg je niet, struiken, takken en klimplanten weefden een sluier en suggereerden allerlei heimelijks dat erachter verborgen lag. Ook binnen frustreerde de Mexicaanse bouwmeester het zicht. Twee muren staken in de ruimte, de ene manshoog, de andere lager. Zo schiep hij onder de lange balken drie ruimtes: een woonvertrek met tafel en lessenaar, een middendeel om zich met zijn boeken af te zonderen en een derde deel waarin hij in het egale licht van een matglazen raam schetsen maakte, prenten bekeek, nadacht, mediteerde.

Ik was vol bewondering: de architect was inventief geweest. Maar ik begon me ook ongemakkelijk te voelen. Het lokken en afweren, het suggereren van openheid en weer het blokkeren ervan, de abstractie van witte muren en het zware, tastbare van balken – wat had hij voor zichzelf ontworpen? Een sereen huis om tot rust te komen, zoals hij zichzelf tot doel had gesteld? Zo sereen was het niet. Er was onrust, broeierigheid. En al begreep ik het nog niet, ik wist dat zijn huis van erotiek sprak. Onderdrukte erotiek, ambivalente erotiek.

Mexico City was een van de eerste steden die zich tot megapolis ontwikkelde en in de jaren veertig al aardig begon te woekeren. Het was in die periode dat Barragán zich met een open, rationele architectuur met de stad probeerde te verzoenen. Maar hij kwam erop terug en vond het exces aan openheid bij nader inzien een miskenning van wat het huis aan zijn bewoners zou moeten geven: intimiteit en spiritualiteit. „We hebben ons gevoel voor een intiem leven verloren en worden gedwongen een publiek leven te leiden, in essentie van ons huis vandaan”, zei hij eens.

Hij begon huizen te ontwerpen

die zich van de stad afkeerden. Gedetailleerde tekeningen maakte hij niet, hij liet ze – experimenterend, muren optrekkend en weer neerhalend – als het ware uit zijn handen groeien. Zijn architectuur noemde hij autobiografisch. Op een heel persoonlijk wijze vermengde hij de internationale stijl met de sereniteit van het klooster, de geslotenheid van de traditionele Mexicaanse architectuur en de ruimtelijkheid van de haciënda waar hij opgroeide. Hij had gereisd in de mediterrane landen en bracht ook de aardsheid van de Marokkaanse kashba in.

De kashba was voor hem een ultieme inspiratie. Dat leverde dubbelzinnige gebouwen op. Gebouwen die leken te refereren aan het optimisme van het modernisme, maar eigenlijk getuigden van melancholie en dood. Wie een hang heeft naar het verleden, heeft een hang naar het verlies. Het is de vraag of dat wel zo gezond is.

Van die autobiografische benadering is het huis dat hij eind jaren veertig in Mexico City voor zichzelf ontwierp, doordesemd. Daar kon hij natuurlijk zijn gang gaan en zijn eigen spiegelbeeld ontwerpen, de projectie van zijn meest intieme verlangens. Het is als in je eigen gedichten willen leven, in je eigen roman. Mij lijkt dat een nachtmerrie – voortdurend in je schepping gevangen zitten. Waarom zou je het jezelf aandoen de godganse dag in je eigen drek rond te banjeren? Een huis inrichten is al een crime. Hoe perfecter je het doet, hoe meer de inrichting zich tegen je keert en je buitensluit, je tot een indringer maakt. Je kunt maar beter zo min mogelijk met je huis te maken hebben, je hebt meer aan een huis dat zich op gepaste afstand houdt en je met rust laat.

Dat sommige architecten voor zichzelf een huis ontwerpen, laat zich niet goed begrijpen. Maar voor Barragán was het een levensvervulling zich over te geven aan zichzelf, zich te spiegelen aan zichzelf, zich terug te trekken in zichzelf. Hij woonde alleen en bleef veranderen, verbouwen, hij verdubbelde zich nauwgezet in zijn huis en tuin. Maar van de gids begreep ik dat hij geen volstrekte zonderling was. Hij hield van feesten, was sociaal handig en wist wie hij moest uitnodigen. Er kwamen zelfs ministers over de vloer.

Van Barragáns architectuur wist ik weinig, alleen dat vermaarde architecten als De Siza, Campo Baeza en Ando zijn architectuur bewonderen en erdoor beïnvloed zijn. Het was toeval dat ik in zijn huis belandde. Ik kwam voor een interview met de jonge architect Fernando Romero en die bleek zijn kantoor heel strategisch tegenover het huis van de meester te hebben gevestigd. Maar toeval is als een gift en maakt je ontvankelijk. Je verwacht niets en ziet en ervaart vaak meer dan wanneer je je gepantserd hebt met een gedegen voorbereiding.

Op Casa Barragán was ik niet voorbereid. Casa Barragán overviel me. Het was als een onbekende die me plotseling vastpakte en in tranen uitbarstte. Ik kon er niet goed tegen en wilde eruit, naar buiten, frisse lucht.

Barragán bleef lang onbekend.

Pas tegen het einde van zijn leven werd zijn architectuur ontdekt. Hij kreeg een tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York, in 1980 de befaamde Pritzker Price, en hij was er als de kippen bij om zich op de valreep op te werken tot een mythe.

Toen ik mij in de ommuurde tuin bij de groep studenten voegde, kreeg ik vooral die mythe ingepeperd. De rondleider probeerde het nog zakelijk te houden, maar de kleine, druk gebarende architectuurdocent uit Miami ontnam hem het woord en gebood zijn studenten op afgeknotte zuilen te gaan zitten en het mysterie te voelen.

Ik wist niet of ze iets voelden. Ze hadden de lege gezichten van kinderen die het nooit aan iets ontbroken had. Ze zouden na hun studie architect worden, en in Amerika betekent dat doorgaans: banale gebouwen ontwerpen en alle lessen van Barragán zo snel mogelijk vergeten.

Voor het huis was de groep te groot en we werden opgesplitst. We waren verlost van de Amerikaan en konden eindelijk onbevangen rondkijken. Na het woonvertrek kwam de eetkamer. De rondleider legde uit waar Barragán zat, aan het hoofd van de tafel. Vanaf die plek kon hij alles overzien en naar buiten kijken. Op een dressoir stond een afgeplatte, zilveren bol. Hij had die bol zo geplaatst dat hij in de gaten kon houden wie er door de deur schuin achter hem naar binnen kwam. Hij was overal aanwezig, zijn blik doordrong het hele huis.

Weer kwamen we in de hal, en we gingen de trap op, het gelige licht tegemoet. Er was een wending, een versmalling, nog een wending, en ineens stonden we in de slaapkamer, tegenover het bed waar Barragán zijn nachten had doorbracht en gestorven was. Ik weet niet hoe het de jongens en meisjes verging, ze zagen er nog altijd leeg en onaangedaan uit, maar ik kan me voorstellen dat ze zich in die geheimzinnige, geladen ruimtes moeten hebben gevoeld alsof ze verdwaald waren in het labyrint van de minotaurus.

Naast het bed Christus aan het kruis, Barragán was katholiek. Christus moest het zonder kruis stellen in de overloop die naar het dakterras leidt. Hij hing er goeddeels naakt aan een witte muur. En zo hadden we als in een rite de passage alle kamertjes, gangen en trappen doorlopen, kregen we nog een keer de lijdende Christus te zien en kwamen we via een smalle trap en een verrassende wending en wenkend gelig licht op het dakterras.

Geen uitzicht, we waren ingesloten door muren. Grote ruwe vlakken, deels grijs, deels acaciaroze en het terracotta van de aarde. En helemaal boven de blauwe hemel. Als diep religieuze architect was het Barragán daar om te doen, de hemel was het enige uitzicht dat hij zichzelf toeliet.

Terug in Nederland vraag ik

me af waarom ik me toch zo ongemakkelijk voelde in Casa Barragán. En waar die broeierige erotiek in schuil ging. Ik blader door de monografieën en zie foto’s van een beroemd detail terugkeren: de duizelingwekkende trap die vanuit de bibliotheek omhoog loopt naar een kleine deur. De trap is smal en van hout, en heeft geen leuning. Hij wordt door niets ondersteund en hangt tegen de muur. Een trap voor muizen en stiekeme gedachten. Een gevaarlijke trap. Daarachter, niet helemaal afgesloten omdat onder het balkenplafond ruimte is gelaten, zit het gastenverblijf.

De trap werd eigenlijk niet gebruikt, hij was meer een geste. Maar wie brengt nou zo’n dubbelzinnig gebaar aan in de ruimte waar hij wil lezen, nadenken, mediteren, alleen zijn?

In die trap ligt de essentie van het spel dat Barragán in zijn huis speelde. Een spel van verleiding en manipulatie. Een onrustig spel dus, met sereniteit heeft het weinig te maken. Dat spel was er niet voor mij of voor de studenten of voor welke bezoeker dan ook, het was er voor hem, hij speelde het met zichzelf.

Misschien lag daarin die lastig te traceren, ambivalente erotiek. Het liet zich niet inschatten of de erotiek op een vrouw of een man gericht was, op een ander of op zichzelf. Of op allebei tegelijk. Ik wist niet hoe ik aangesproken werd, hoe ik mezelf erin moest plaatsen; Barragán stond centraal, de erotiek van zijn huis was narcistisch, als masturberen voor de spiegel en daar dan opgewonden van raken.

Ongerust dat ik dit alles met een overspannen brein fantaseer, mail ik met de directeur van Museo Casa Luis Barragán. Wie is dat fotomodel op de lessenaar in de woonkamer? vraag ik. Angela Barnett, de eerste vrouw van David Bowie, is het antwoord. Net als Bowie is Barnett biseksueel. Ze heeft er een levensvervulling van gemaakt, houdt er lezingen over, laat zich erover interviewen.

Zou Barragán zichzelf ook benauwd hebben, zou hij zich beklemd hebben geweten door de conservatieve Mexicaanse samenleving, en was haar vrijgevochten seksualiteit het uitzicht dat hij werkelijk zocht? Wat heeft de Mexicaanse architect aangezet om dit vreemde, mysterieuze huis voor zichzelf te ontwerpen?

www.casaluisbarragan.org