Schuld en socialisme

Uit de eerste biografie van oud-premier en PvdA-politicus Joop den Uyl blijkt hoezeer diens politieke intuïtie begrensd werd door zijn gereformeerde jeugd.

Anet Bleich: Joop den Uyl, 1919-1987. Dromer en doordouwer. Balans, 544 blz. € 35,–

Dertig jaar na dato siddert Frits Bolkestein nog steeds. ‘Rampzalig. Nederland heeft twintig jaar nodig gehad om de gevolgen van het kabinet-Den Uyl te verwerken’, schreef de VVD’er vorige week in het blad Opinio. Machtspolitiek gezien is er geen groter compliment denkbaar. Joop den Uyl heeft tussen 1973 en 1977 kennelijk zoveel rotzooi geschopt dat het twee decennia kostte om de boel weer op te ruimen.

Waarom gebruikt Bolkestein zulke grote woorden? Primair omdat hij, net als zijn bête noire, een ideoloog van het zuiverste water is. Maar ook omdat Den Uyl inderdaad wat te verwijten valt. Het onloochenbare feit dat het financieringstekort pas na diens kabinet uit de hand is gelopen – van 2,1 procent bij het aantreden van het christelijk/liberale kabinet-Van Agt in 1978 tot 5 procent bij het vertrek van de VVD uit het vergelijkbare kabinet-Lubbers in 1989 – gaat voorbij aan een ander oordeel. De ‘oliecrisis’ van 1973/74 had weliswaar minder effect dan de ‘gordijnen dicht’-retorica van premier Den Uyl deed vermoeden, maar de voorbode van ellende diende zich toch al aan. Nederland begon als industriële natie weg te kwijnen. De dienstensector, waarvan Den Uyl al in de jaren vijftig de betekenis had onderkend, kon de vacante positie nog niet overnemen. De aardgasbaten onttrokken deze veranderingen aan het zicht. De inflatie liep op tot ruim 10 procent in 1975. Wat deed Den Uyl? Hij liet de uitgaven groeien. Stagflatie, geen groei maar wel inflatie, was het resultaat. De Keynesiaan had Keynes op het verkeerde moment verkeerd begrepen.

Maar daarmee is het leven van Den Uyl toch niet afdoende getypeerd. Den Uyl was, om met de Amerikaanse president Nixon te spreken, namelijk eerder een ‘political man’ dan een ‘politician’. Over dit politieke mens is nu eindelijk een echte biografie verschenen waarop Anet Bleich, politicoloog en redacteur van de Volkskrant, gisteren te midden van veel ophef over de door haar beschreven rol van Den Uyl in het ‘redden’ van de monarchie (zie www.nrc.nl) is gepromoveerd.

Het is ondoenlijk haar dissertatie over de volle breedte recht te doen, zozeer zwenkte het leven van Den Uyl heen en weer tussen religie en ratio, poëzie en proza, loyaliteit en opportunisme, kortom, tussen theorie en praktijk. Voor Den Uyl was de tegenspraak het zuurdesem van het denken. Zonder these geen antithese, zonder antithese geen synthese. Bleich heeft deze dialectiek gevangen in een heldere en inzichtelijke levensbeschrijving. Maar het lijkt er op dat ze van al die Uyliaanse wendingen uiteindelijk zo tureluurs was, dat ze geen puf meer had voor een analytische finale.

Dat neemt niet weg dat ze een stimulerend boek heeft geschreven, zeker voor de lezer die politiek en ideologie geen vieze woorden vindt. De 20ste eeuw was immers een politieke eeuw. Den Uyl zocht daarin, verlegen maar gedreven, naar sociale én democratische rechtvaardigheid.

Johannes Marten Den Uyl werd in 1919 in Hilversum geboren in een gereformeerd middenstandsgezin. Hij was net tien toen zijn vader overleed. Tot overmaat van ramp klapten ook de beurzen in elkaar. Voor zijn moeder was dat reden zich vast te klampen aan de antirevolutionaire premier Colijn. Voor de gretige, naar vitalistische poëzie hunkerende, scholier Joop was de crisis juist aanleiding over de grenzen heen te kijken. Hij zocht naar een ‘christelijk nationalisme’ dat zich teweer kon stellen tegen het ongelovige grauw. Hitler was een inspiratiebron. Rond de Führer had zich immers een ‘herboren, zelfbewust volk’ geschaard. In de lage landen boeide het Verbond van Diets Nationaal Solidaristen (Verdinaso) hem, zonder dat hij lid werd van welke club dan ook. ‘Wij strijden tegen die geldmacht, die koopmansgeest die Nederland ten verderve voert,’ schreef de scholier Den Uyl in 1935 in een opstel. Maar rassenleer en antisemitisme waren verderfelijk in de ogen van deze gereformeerde jongen.

In 1936 ging hij economie studeren aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam – aan de VU werd nog geen economie gedoceerd. Aan de GU raakte hij onder invloed van sociaal-democratische economen als Tinbergen die, à la Keynes, aan de wieg stonden van een planmatige economische ordening. Via de gereformeerde studentenvereniging SSRA maakte hij tegelijkertijd kennis met theologen als Karl Barth en Martin Niemöller. Maar hun positie in nazi-Duitsland – politiek stelling nemen – ging de derdejaars student economie te ver. De kerk diende niet te veroordelen maar ‘open’ te blijven: ‘er is bij haar evenzeer plaats voor deernen en tollenaren als voor Hitler en Goebbels’.

Den Uyl was geen uitzondering. Veel jonge mannen die door hun afkomst niet naar het socialisme of liberalisme kónden overstappen, schurkten in die jaren tegen allerhande pleitbezorgers van een nieuwe en anti-plutocratische orde aan. De verontwaardiging daarover nam pas later een vlucht: vooral na de late jaren zestig toen de opwinding over fouteriken werd gevoed door babyboomers die nooit ingrijpender keuzes hadden hoeven maken dan het beëindigen van een liefde.

Den Uyl had een kwarteeuw eerder gekozen. De 10e mei 1940 veranderde zijn leven in één klap. Op 15 mei noteerde hij: ‘Aan het eind van 5 dagen verbijstering enkele simpele constateringen. De belangrijkste is, dat het in het leven blijkbaar niet op het denken, maar op het doen aankomt.’ In december 1940 schreef hij over Romeinen 13, de passage uit het Nieuwe Testament waarin staat dat de overheid, van welke aard dan ook, het zwaard namens God draagt. Het was volgens Den Uyl dus een ‘zonde’ om de bezetter niet te gehoorzamen. Maar, schreef hij, we moeten niet voor die zonde ‘terugschrikken’ als daarmee een ‘groter zonde’, namelijk ‘voortgaande verkrachting der rechtsorde’ kan worden voorkomen. Het afscheid van het geloof was daarna een kwestie van tijd. De ‘christelijke nationalist’ uit de jaren dertig was in een paar jaar humanistisch internationalist geworden.

Bleich schrijft het niet, maar het fascisme was kennelijk het theoretische breekijzer waarmee Den Uyl zich kon loswrikken uit zijn gereformeerde milieu. Omdat Den Uyl nooit los kwam van het zondebesef, werd hij sociaal-democraat. Schuldgevoel en socialisme zijn nu eenmaal een logisch paar, zeker in Nederland. De totalitaire verleiding kreeg mede daarom nooit meer vat op hem. De communisten schreef hij, na de machtsgreep in Tsjechoslowakije van 1948 ‘dezelfde machtshonger’ toe als de nazi’s. Ook hier was zijn eigen oorlogservaring cruciaal.

Een jaar later begon hij aan zijn actieve politieke loopbaan als directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman Stichting. In zijn werk voor de WBS, zoals in het rapport De weg naar vrijheid uit 1952, tekent zich alles al af. Anders dan klassieke marxisten koesterde Den Uyl bijvoorbeeld geen wantrouwen jegens de staat als handlanger van het kapitaal. Indachtig de Britse econoom en christen-socialist Tawney: ‘voor miljoenen gewone mannen en vrouwen is de wet de moeder der vrijheid geworden’. Die toon klonk ook door in het Beginselprogramma van de PvdA uit 1959, waarin geen gewag meer werd gemaakt van socialisatie van de voornaamste productiemiddelen. Het ging voortaan om ‘de kwaliteit van het bestaan’. Op aandringen van aankomend vakbondsleider André Kloos had Den Uyl The Affluent Society van de Amerikaanse econoom Galbraith gelezen. Het kostte hem aanvankelijk moeite de welvaartsstaat breder te zien dan een auto voor elke arbeider. Maar omdat hij in zijn hart een cultuursocialist was, ging hij door de knieën. Zozeer zelfs dat hij zijn eigen prognose, dat de dienstensector onstuitbaar zou oprukken, vergat en ging voorspellen dat verdere collectivisering van de economie onvermijdelijk was.

Het inzicht dat ‘private rijkdom en publieke armoede’ dé politieke kwesties waren, kwam Den Uyl later niettemin van pas. Halverwege de jaren zestig dienden zich twee nieuwe politieke fenomenen aan. De eerste studenten uit de geboortegolf daagden de macht op straat uit. Tegelijkertijd ging Nieuw Links de strijd aan met de oude garde die aan de wederopbouw had gewerkt. Den Uyl was geïnteresseerd in deze opstandigheid, maar ook afwachtend. New Left was ‘anti-establishment, anti-institutions and anti-history’. De eerste twee anti’s kon Den Uyl billijken, de laatste niet; het kon hem helemaal niet bekoren dat Nieuw Links ‘zo geobsedeerd was door rechtse dictaturen dat men de linkse dictaturen niet meer’ zag.

Maar in de dagelijkse politieke praktijk moest Den Uyl zich toch laten welgevallen dat de vernieuwingsbeweging zich van de PvdA meester maakte. Hergroepering in één Progressieve Volkspartij, schaduwkabinetten zoals in Groot-Brittannië, uitsluiting per motie van de KVP als potentiële coalitiepartner en verkiezingsprogramma’s met quasirevolutionaire titels als Keerpunt 72: de biografie van Bleich bereikt, eenmaal in de jaren zeventig beland, menig hilarisch hoogtepunt.

Den Uyl zei in die tijd te vaak niet hardgrondig ‘nee’, zelfs niet als het hem te gortig werd en hij een machtswoord had moeten spreken. Toch bereikte hij iets. Door continu in contact te blijven, was hij in staat een deel van deze anti-parlementaire types in de PvdA te integreren. De oude kameraden, die naar DS70 waren afgesplitst, verweten hem dat. Maar achteraf is de vraag gerechtvaardigd wat er was gebeurd als hij niet tegenspraak en samenspraak had gezocht. De positie van de SP nu geeft met terugwerkende kracht te denken.

De keerzijde was dat Den Uyl de veranderingen aan de andere kant van het spectrum, in de christen-democratische gelederen, niet zag. Hij begreep niet dat de fusie van KVP, ARP en CHU tot CDA meer was dan de som der delen. Het ontbrak hem ook aan elementaire mensenkennis. Het was Den Uyl die Aad Kosto liet begaan toen die zijn jacht begon op minister Van Agt van Justitie omdat die oorlogsmisdadiger Menten in 1976 had laten glippen toen die gearresteerd had kunnen worden. Vooral de toon die Kosto aansloeg, krenkte Van Agt, die aanvankelijk opkeek tegen Den Uyl. Een maand later viel zijn kabinet. Formeel over de grondpolitiek, waarmee Van Agt niet wilde instemmen. Feitelijk over Den Uyls onvermogen om Van Agt in zijn waarde te laten.

Het tweede kabinet-Den Uyl zou er nooit komen. Ook zijn discipelen bleken op het uur U weinig benul te hebben van politieke psychologie. Rekenen konden ze ook niet. Dat Van Agt en Wiegel over een meerderheid in de Kamer beschikten, hadden ze maandenlang verdrongen.

Den Uyl mocht in 1981 nog acht maanden minister spelen in het tweede kabinet- Van Agt, na het eerste kabinet-Balkenende het gekste uit de parlementaire geschiedenis. Maar zijn politieke tijd was eigenlijk al in 1977 verstreken. Vanaf dat jaar kwam de PvdA in het defensief, een positie waarin ze nog steeds verkeert. Het kabinet-Den Uyl was geen opmaat gebleken naar een nieuwe tijd, maar de afsluiting van een oude. De klassieke democratische politiek, zoals die door schade en schande in de 20ste eeuw vorm had gekregen, was aan het einde van haar Latijn. De verzorgingsstaat was onhoudbaar geworden.

Den Uyl zag het wel. In een grotendeels door Bram Peper geschreven speech waarschuwde hij in 1981 in poptempel Paradiso voor de opmars van nieuw rechts, een fusie van conservatisme en liberalisme. Maar Den Uyl deed vervolgens weinig tot niets met zijn constatering. De al discussiërend denkende politicus bleek, toen De weg naar vrijheid zich aandiende, niet in staat de sociale en economische gevolgen van de individuele vrijheid te doorzien.

Waarom? Vrijelijk puttend uit de dissertatie van Bleich opper ik een verklaring. Eigenlijk was Den Uyl een gereformeerde socialist gebleven. Zijn uitspraak over het ‘zondige ras der reformisten’ was geen grap, maar kwam recht uit het hart van zijn Gesinnungsethik. Er sprak schuldgevoel uit. De Verantwortungsethik, die de katholieken zo na aan het hart ligt, was hem vreemd. Van echte machtspolitiek had hij dus geen kaas gegeten. Daarom was Den Uyl, toen zijn tegenstrevers in het CDA hem eenmaal doorhadden, zo’n makkelijke prooi voor Van Agt en Lubbers, die ieder voor zich veel van hem hadden geleerd. Daarom was Den Uyl ook niet in staat terug te treden, toen er na 1982 geen eer meer was te behalen, maar richtte hij onder zijn ‘kroonprinsen’ bijna een bloedbad aan. In eigen kring begon het politieke ontzag voor die rommelige en verstrooide man plaats te maken voor medelijden.

Maar dankzij Anet Bleich staat de political man nu in een perspectief dat breder is dan die kennelijk ‘rampzalige’ jaren zeventig. Het is namelijk geen toeval dat zijn tegenstanders van toen, zoals Wiegel, veel milder over hem oordeelden dan zijn posterieure tegenstander Bolkestein nu.