Oscaravond geen mainstream-gala

Is er al iets te zeggen over een mogelijke Oscarwinnaar? De laatste vijf jaar wonnen vooral excentrieke films.

In hun behoefte om een verband te ontdekken in het samenraapsel van de Oscars-nominaties komen journalisten en deskundigen altijd wel tot een thema. Twee jaar geleden heetten de Oscars ineens ‘politieker dan ooit’, omdat er films als Crash, The Constant Gardener, Syriana en Good Night, and Good Luck. genomineerd waren. Vorig jaar waren er toevallig drie actrices op leeftijd in de race voor een hoofdrol-Oscar – was dat weer de trend.

Valt er een lijn te ontdekken in de nominaties en winnaars van de afgelopen vijf jaar? En kan die leiden tot conclusies omtrent de grootste kanshebbers voor zondagnacht? In tegenstelling tot wat meestal wordt gedacht, is de Oscaravond niet het gala van de mainstream. De laatste pure mainstreamfilm die een grote winnaar werd, was Chicago, de musical die zes Oscars won in 2002. Maar deel drie van The Lord of the Rings, die een jaar later elf oscars won, een record, was geen mainstream film, hoe ongehoord succesvol hij ook was. Er speelden geen grote sterren in mee – ze waren tenminste geen sterren voor het eerste deel uitkwam – en het was een hachelijke onderneming om een film van meer dan negen uur te maken en die in drieën te knippen. Ook Million Dollar Baby, Crash en The Departed, de winnaars van de jaren erna, waren geen mainstream films. Hun onderwerpen waren te controversieel of de aanpak van de regisseurs te excentriek voor brede publieksfilms. Sommige films behaalden hun economische succes dan pas na de Oscars.

De films die vorig jaar in de twee belangrijkste categorieën waren genomineerd, beste film en regie, waren voornamelijk relatief kleine films, op Martin Scorsese’s The Departed na. Little Miss Sunshine kostte slechts 5,5 miljoen euro, een bedrag waar zelfs in Nederland nog wel eens een film voor wordt gemaakt. Juno, die dit jaar meedingt in de belangrijkste categorieën, was zelfs nog goedkoper.

Kortom, het budget is niet de doorslaggevende factor bij de Oscars. Het lijkt wel of de 5.829 stemgerechtigde leden van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences, de club van Amerikaanse filmers die elkaar bij coöptatie benoemen en die in getrapte verkiezingen de Oscars toekennen, juist een voorkeur hebben voor het atypische. Niet te ver van het midden natuurlijk, maar wel dwars.

De opgekropte woede over onterechte winaars en verliezers in een artikel deze week in Time Magazine is begrijpelijk, maar zinloos. Waarom wel Oscars voor Oliver!, Ordinary People en Forrest Gump als beste film, en niet voor 2001: A Space Odyssey, Raging Bull en Pulp Fiction in hun jaren? Je kunt het zien als een bewijs voor de hopeloze smaak van de leden van de Academy. Maar ook voor hun eigenzinnigheid. Wat nou Citizen Kane? Wij kiezen Cavalcade!

Als die gewoonte dit jaar in ere wordt gehouden, lijken No Country for Old Men van de gebroeders Coen, There Will be Blood van Paul Thomas Anderson, Juno van Jason Reitman en The Diving Bell and the Butterfly meer kans te maken dan Michael Clayton en Atonement – juist omdat die laatste film in de aanloop naar de Oscarnacht een heleboel indicatieve prijzen zoals de Golden Globes aan zijn zegekar heeft gehangen.

Na die eerste drempel wordt het een kwestie van humeur. Scheppen de Academy-leden behagen in grimmige films als No Country for Old Men of There Will Be Blood? Of kiezen ze voor het vitale optimisme van Juno en The Diving Bell and the Butterfly? Het zou mooi zijn als Joel en Ethan Coen eens een grote Oscar in de wacht zouden slepen, na die ene voor het scenario van Fargo in 1996.

Hoe dan ook – het zou goed zijn als de hoogste onderscheidingen werkelijk naar de beste film gaan, en niet naar het fijnste gevoel.