Omkomen in de memoires uit de loopgraven

‘Nu wordt de man naast me geraakt. Wie is het? Ik geloof Les Yawfitz. Hij staat op en valt weer neer. Hij is recht in zijn gezicht geschoten. Het bloed stroomt naar beneden en vult zijn mond. Hij maakt een benauwd geluid en kruipt rond als een mier. Hij kan niet zien waar hij naar toe kruipt. Waarom blijf je niet stil liggen? Dat lijkt me verstandiger. Je weet toch niet welke kant je opgaat. [...] We zijn in de Duitse loopgraven. We vechten met onze kolven en messen. Er klinkt geschreeuw, mannen rennen rond in totale verwarring. Nu is alles weer stil. We gaan terug met onze krijgsgevangenen. Sergeant Dockdorf ligt met een doorgesneden keel op de rand van de loopgraaf, half erin, half eruit. Jerry Easton ligt uitgestrekt op de loopplanken, zijn oogleden knipperen nog.’

Voorval aan het westelijk front tijdens de oorlog van ’14-’18,

Hoeveel van zulke mini-gebeurtenissen moeten zich in de loop van die jaren hebben voorgedaan? Ontelbare. Van hoeveel is verslag gedaan, hetzij direct per brief naar huis, hetzij later in dagboeken, in memoires, in bloemlezingen, in werken van historische wetenschap? Van duizenden en duizenden. En door hoeveel mensen worden de verhalen ook een eeuw na dato nog altijd met een zekere gretigheid gelezen? Door miljoenen.

Gemeten naar de eeuwigheid zullen dit soort operaties zich in een mum van tijd hebben voltrokken. De vijandelijke linies lagen immers vaak letterlijk onder handbereik. Je kroop er naar toe, je schoot, je gooide een handgranaat, je sprong in hun loopgraaf om de tegenstanders met bajonet of mes af te maken, en je kroop weer terug. In minder dan een kwartier was je een held geworden, of een invalide voor het leven of, zoals Jerry Easton die nog met z’n ogen knipperde, bezig dood te gaan.

De fascinatie voor de herinneringen van overlevenden die (op anderhalve Engelsman na) intussen zelf ook allang weer allemaal dood zijn, moet veel te maken hebben met de ‘onthechtheid’ waarmee ze in de meeste gevallen zijn opgeschreven. Angst, verwarring, pijn, paniek, schrik, woede of haat zijn vervluchtigd, de emoties zijn er af, de pen noteert wat er is overgebleven, en dat zijn de kale feiten. Het is waarschijnlijk ook een kwestie van soldatencode geweest. Je zweeg over de beestachtige manier van vegeteren, vechten en versterven – of je praatte er laconiek, bijna achteloos en op z’n ergst een beetje cynisch over.

De beroemde Oorlogsdagboeken van Louis Barthas (die overigens pas aan het eind van de 20ste eeuw in Frankrijk werden ‘ontdekt’ en uitgegeven, om vervolgens alsnog een wereldsucces te worden) wemelen van pacifistische schimpscheuten aan het adres van de krijgszuchtige hoge heren in Berlijn, Londen en Parijs, en elke officier was in de ogen van de proletarische tonnenmaker een geboren kapitalist – maar wat hij als eenvoudige korporaal in de loopgraven aan verschrikkingen had meegemaakt beschreef hij consequent waardevrij, haast langs z’n neus weg, en altijd vanuit de basisgedachte dat de mof die aan de overkant in een andere loopgraaf zat, er ook niks aan kon doen.

Wat er in en rond die loopgraven gebeurde is nog altijd onvoorstelbaar, en mede daarom zo ‘geliefd’ – zoals onvoorstelbare sciencefiction even graag wordt gelezen als de onvoorstelbare magie in de fantasy- wereld van Tolkien of Rowling. Het citaat waarmee dit stuk begon is van een Amerikaan die 113 belevenissen van krijgsmakkers verzamelde (of deels misschien zelf verzon) en ze in 1933 – het is de tijd van I am a camera en de montagewonderen van de Russische cinema – monteerde tot een werkelijkheid die vanuit 113 verschillende gezichtspunten wordt waargenomen. Het resultaat – Compagnie K (uitgeverij Dulce & Decorum, 160 blz, € 18.50) – noemde hij een roman.

De uitgeverij met de beschaafde naam (naar Horatius) is kort geleden speciaal opgericht om de onuitputtelijke literatuur over de Eerste Wereldoorlog specifiek aan te vullen met fictie over die dagen. De 113 gezichtspunten van William March – hij deed onder andere dienst in de buurt van Verdun, maar voor zijn ‘roman’ doet dat er eigenlijk niet toe – worden ook gepresenteerd als deel I van de ‘Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog’. Als II, III en IV wordt alvast fictie aangekondigd van Dalton Trumbo, Paul Alverdes en Thomas Boyd. Van March had ik wel eens gehoord, de namen van de overige drie zeggen me niets, en waarmee niets anders is bewezen, dan dat ze nooit een Henri Barbusse, een Ernest Hemingway of een Erich-Maria Remarque zijn geworden.

Zouden ze als minor classics – het begrip is van de uitgever – toch nog een plaatsje kunnen veroveren in al was het maar de wereldliteratuur van de Eerste Wereldoorlog?

Twijfelachtig. De ‘verdichting’ van Le feu, van Farewell to Arms en van Im Westen nichts Neues heeft haar tijd gehad – niet voor niets was ze omstreeks 1933, toen de vervolgcatastrofe zich aandiende, voorgoed voorbij. Onze al dan niet macabere nieuwsgierigheid gaat uit naar de onvoorstelbare werkelijkheid, die er voor zorgde dat in Europa na 1918 niets meer was zoals het vóór 1914 had geleken: de kunsten niet, de historiografie niet, de seksuele moraal niet, de samenleving niet.

Zo formuleerde Samuel Hynes het in A War Imagined – dat het ‘gat in de geschiedenis’ aanwees tussen de idylle van een belle epoque en de realiteit van een verloren generatie. Nog een paar jaar, dan zullen we (eeuwfeest!) nog omkomen in de memoires uit de loopgraven.