Nú pas heeft Joop den Uyl een echte biografie

Joop den Uyls politieke intuïtie werd begrensd door zijn gereformeerde jeugd.

Dat blijkt uit de eerste biografie over deze PvdA’er.

Dertig jaar na dato siddert Frits Bolkestein nog steeds. ‘Rampzalig. Nederland heeft twintig jaar nodig gehad om de gevolgen van het kabinet-Den Uyl te verwerken’, schreef de VVD’er vorige week in het blad Opinio. Machtspolitiek gezien is er geen groter compliment denkbaar.

Waarom gebruikt Bolkestein zulke grote woorden? Primair omdat hij, net als zijn bête noire, een ideoloog van het zuiverste water is. Maar ook omdat Den Uyl inderdaad wat te verwijten valt. Het onloochenbare feit dat het financieringstekort pas na diens kabinet uit de hand is gelopen, gaat namelijk voorbij aan een ander oordeel. De ‘oliecrisis’ van 1973/’74 had weliswaar minder effect dan de ‘gordijnen dicht’-retorica van premier Den Uyl deed vermoeden, maar de voorbode van ellende diende zich toch al aan. Nederland begon als industriële natie weg te kwijnen. De dienstensector, waarvan Den Uyl al in de jaren vijftig de groeiende betekenis had onderkend, kon de vacante positie nog niet overnemen. De aardgasbaten onttrokken deze veranderingen aan het zicht. De inflatie liep op tot ruim 10 procent in 1975. Wat deed Den Uyl? Hij liet de uitgaven groeien. Stagflatie, geen groei maar wel inflatie, was het resultaat.

Maar daarmee is het leven van Den Uyl niet afdoende getypeerd. Den Uyl was namelijk eerder een ‘political man’ dan een ‘politician’. Over dit politieke mens is nu eindelijk een echte biografie verschenen, Joop den Uyl, 1919-1987. Dromer en doordouwer, waarop Anet Bleich gisteren promoveerde.

Het is ondoenlijk haar dissertatie over de volle breedte recht te doen, zozeer zwenkte het leven van Den Uyl heen en weer tussen religie en ratio, loyaliteit en opportunisme, kortom, tussen theorie en praktijk. Bleich heeft deze dialectiek gevangen in een heldere en inzichtelijke levensbeschrijving. Maar het lijkt er op dat ze van al die Uyliaanse wendingen zo tureluurs werd, dat ze geen puf meer had voor een analytische finale. Dat neemt niet weg dat ze een stimulerend boek schreef.

Johannes Marten Den Uyl werd in 1919 geboren in een gereformeerd middenstandsgezin. Hij was net tien toen zijn vader overleed. Tot overmaat van ramp klapten ook de beurzen in elkaar. Voor zijn moeder was dat reden zich vast te klampen aan de antirevolutionaire premier Colijn. Voor de gretige, naar vitalistische poëzie hunkerende, scholier Joop was de crisis juist aanleiding over de grenzen heen te kijken. Hij zocht naar een ‘christelijk nationalisme’ dat zich teweer kon stellen tegen het ongelovige grauw. Hitler was een inspiratiebron. Rond de Führer had zich immers een ‘herboren, zelfbewust volk’ geschaard. Maar rassenleer en antisemitisme waren verderfelijk in de ogen van deze door en door gereformeerde jongen.

Den Uyl was geen uitzondering. Veel jonge mannen die door hun afkomst niet naar het socialisme of liberalisme kónden overstappen, schurkten in die jaren tegen allerhande pleitbezorgers van een nieuwe en anti-plutocratische orde aan.

Voor Den Uyl kwam de klap op 10 mei 1940. In december 1940 schreef hij over Romeinen 13, de passage uit het Nieuwe Testament waarin staat dat de overheid, van welke aard dan ook, het zwaard namens God draagt. Het was volgens Den Uyl dus een ‘zonde’ om de bezetter niet te gehoorzamen. Maar, schreef hij, we moeten niet voor die zonde ‘terugschrikken’ als daarmee een ‘groter zonde’, namelijk ‘voortgaande verkrachting der rechtsorde’ kan worden voorkomen. Het afscheid van het geloof was daarna een kwestie van tijd. De ‘christelijke nationalist’ was in een paar jaar tijd humanistisch internationalist geworden.

Het fascisme was kennelijk het theoretische breekijzer waarmee Den Uyl zich kon loswrikken uit zijn gereformeerde milieu. Omdat Den Uyl nooit los kwam van het zondebesef, werd hij sociaal-democraat. Schuldgevoel en socialisme zijn nu eenmaal een logisch paar, zeker in Nederland. De totalitaire verleiding kreeg mede daarom nooit meer vat op hem. De communisten schreef hij, na de machtsgreep in Tsjechoslowakije van 1948, ‘dezelfde machtshonger’ toe als de nazi’s.

Een jaar later begon hij aan zijn actieve politieke loopbaan als directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman Stichting. In zijn werk voor de WBS, zoals in het rapport De weg naar vrijheid uit 1952, tekent zich alles al af. Anders dan klassieke marxisten koesterde Den Uyl bijvoorbeeld geen wantrouwen jegens de staat als handlanger van het kapitaal. Het inzicht dat ‘private rijkdom en publieke armoede’ dé politieke kwesties waren, kwam Den Uyl later niettemin van pas. Halverwege de jaren zestig dienden zich twee nieuwe politieke fenomenen aan. De eerste studenten uit de geboortegolf daagden de macht op straat uit. Tegelijkertijd ging Nieuw Links de strijd aan met de oude garde die aan de wederopbouw had gewerkt. Den Uyl was geïnteresseerd in deze opstandigheid, maar ook afwachtend. New Left was ‘anti-establishment, anti-institutions and anti-history’. De eerste twee anti’s kon Den Uyl billijken, de laatste niet; het kon hem helemaal niet bekoren dat Nieuw Links ‘zo geobsedeerd was door rechtse dictaturen dat men de linkse dictaturen niet meer’ zag.

Maar in de dagelijkse politieke praktijk moest Den Uyl zich toch laten welgevallen dat de vernieuwingsbeweging zich van de PvdA meester maakte. Hergroepering in één Progressieve Volkspartij, schaduwkabinetten zoals in Groot-Brittannië, uitsluiting per motie van de KVP als potentiële coalitiepartner en verkiezingsprogramma’s met quasirevolutionaire titels als Keerpunt 72: de biografie van Bleich bereikt, eenmaal in de jaren zeventig beland, menig hilarisch hoogtepunt.

Den Uyl zei in die tijd te vaak niet hardgrondig ‘nee’, zelfs niet als het hem te gortig werd en hij een machtswoord had moeten spreken. Toch bereikte hij iets. Door continu in contact te blijven, was hij in staat een deel van deze anti-parlementaire types in de PvdA te integreren. De oude kameraden, die naar DS’70 waren afgesplitst, verweten hem dat. Maar achteraf is de vraag gerechtvaardigd wat er was gebeurd als hij niet tegenspraak en samenspraak had gezocht. De positie van de SP nu geeft met terugwerkende kracht te denken.

De keerzijde was dat Den Uyl de veranderingen aan de andere kant van het spectrum niet zag. Hij begreep niet dat de fusie van KVP, ARP en CHU tot CDA meer was dan de som der delen.

Het tweede kabinet-Den Uyl zou er nooit komen. Ook zijn discipelen bleken op het uur U weinig benul te hebben van politieke psychologie. Rekenen konden ze ook niet. Dat Van Agt en Wiegel over een meerderheid in de Kamer beschikten, hadden ze maandenlang verdrongen.

Den Uyl mocht in 1981 nog acht maanden minister spelen in het tweede kabinet-Van Agt, ná het eerste kabinet-Balkenende het gekste uit de parlementaire geschiedenis. Maar zijn politieke tijd was eigenlijk al in 1977 verstreken. Vanaf dat jaar kwam de PvdA in het defensief, een positie waarin ze nog steeds verkeert. Het kabinet-Den Uyl was geen opmaat gebleken naar een nieuwe tijd, maar de afsluiting van een oude.De verzorgingsstaat was onhoudbaar geworden.

Den Uyl zag het wel. In een grotendeels door Bram Peper geschreven speech waarschuwde hij in 1981 in poptempel Paradiso voor de opmars van nieuw rechts, een fusie van conservatisme en liberalisme. Maar Den Uyl deed vervolgens weinig tot niets met zijn constatering. De al discussiërend denkende politicus bleek, toen De weg naar vrijheid zich aandiende, niet in staat de sociale en economische gevolgen van de individuele vrijheid te doorzien.

Eigenlijk was Den Uyl een gereformeerde socialist gebleven. Zijn uitspraak over het ‘zondige ras der reformisten’ was geen grap, maar kwam recht uit het hart van zijn Gesinnungsethik. Er sprak schuldgevoel uit. De Verantwortungsethik, die de katholieken zo na aan het hart ligt, was hem vreemd. Van echte machtspolitiek had hij dus geen kaas gegeten. Daarom was Den Uyl, toen zijn tegenstrevers in het CDA hem eenmaal doorhadden, zo’n makkelijke prooi voor Van Agt en Lubbers, die ieder voor zich veel van hem hadden geleerd.

Dankzij Anet Bleich staat de political man nu in een perspectief dat breder is dan die kennelijk ‘rampzalige’ jaren zeventig. Het is geen toeval dat zijn tegenstanders van toen, zoals Wiegel, veel milder over hem oordeelden dan zijn posterieure tegenstander Bolkestein nu.

Lees de Den Uyllezing 2007 van Jan Pronk op: www.pvda.nl

Anet Bleich: Joop den Uyl, 1919-1987. Dromer en doordouwer. Balans, 544 blz. € 35,–