Met de heroïek werd het hier niets

Een overzicht van duizend jaar laaglandse schilderkunst – zo’n boekenserie was er nog niet. Valt er een kenmerkende traditie te bespeuren?

Jos Koldeweij, Alexandra Hermesdorf, Paul Huvenne: De schilderkunst der Lage Landen. Deel 1. De Middeleeuwen en de zestiende eeuw, 299 blz.Hans Vlieghe, Ghislain Kieft en Christine Wansink: De schilderkunst der Lage Landen. 2. De zeventiende en achttiende eeuw, 384 blz.John Sillevis, Irene Smets en Jeroen Stumpel: De schilderkunst der Lage Landen. 3. De negentiende en twintigste eeuw, 288 blz.Amsterdam University Press, alle delen € 59,50 per stuk

Hoeveel schilderijen zijn er eigenlijk gemaakt op het grondgebied van het huidige België en Nederland? Zeg vanaf de eerste wandschilderingen in een stenen kapelletje in Groningen of Vlaanderen omstreeks het jaar 1000 tot aan de laatste doeken van Luc Tuymans. En hoeveel is daarvan bewaard gebleven? En is er, die productie overziende, een lijn te trekken, een typisch Nederlandse stijl of picturale zienswijze aan te wijzen? Vooral die laatste vraag blijft hangen na het lezen van de duizend pagina’s en het bekijken van ruim 800 illustraties in De schilderkunst der Lage Landen.

Deze boeken vormen samen een overzicht van duizend jaar schilderkunst. Het is dus geen kunstgeschiedenis der Nederlanden: andere takken van kunst ontbreken. Een dergelijk boek is ondanks, of beter gezegd door de overstelpende hoeveelheid literatuur niet eerder geschreven. Overzichtswerken beperkten zich tot een bepaalde periode, tot een genre of een stroming. De teksten voor dit boek werden oorspronkelijk in 1997 gepubliceerd in het Italiaans door uitgeverij Electa onder de titel La pittura nei Paesi Bassi. Een overzichtswerk voor een buitenlands publiek stelt andere eisen dan een boek voor landgenoten. Er moet meer worden uitgelegd en de auteurs kunnen minder in details treden. Na tien jaar werd het plan opgevat om er ook een Nederlandse editie te maken. Maar inmiddels waren de auteurs ook weer tien jaar verder en tien jaar belezener en waren er tientallen detailstudies op al die terreinen verschenen. Wat te doen? De Leuvense hoogleraar geschiedenis Jo Tollebeek heeft de taak op zich genomen de tekst te herzien en wat er nu ligt is een heel leesbare, chronologische introductie op de schilderkunst in noord en zuid.

De delen hebben beslist geen opsommerig karakter, eerder is gekozen voor het leggen van accenten dan voor het nastreven van volledigheid. Ze zijn op behoorlijk formaat vrij traditioneel uitgegeven; alle delen hebben een register, maar een notenapparaat waar je nog eens een citaat kan opzoeken ontbreekt. Over het algemeen zijn de kleurenreproducties goed; bij de zwart-wit afbeeldingen is hier en daar nogal wat mis gegaan.

De auteurs van de eerste twee delen zetten de schilderkunst per periode af tegen de maatschappelijke en politieke achtergrond en beschrijven ook hoe de kunst functioneerde. Daar lees je dus over het hof en de hofkunst over de kerk en haar opdrachten, en later over verzamelaars, kunsthandel en het veilingwezen. Voor de 19de eeuw steken we wat op over de rol van Lodewijk Napoleon en het nieuwe elan dat hij de Nederlandse kunstwereld inblies door verbetering van de kunstopleiding, het instellen van een prijzensysteem (de Prix de Rome) en het initiëren van een nationaal museum. De 20ste eeuw is op een andere wijze behandeld. Het is losser van toon en het gaat hier veel meer om het schilderen zelf, om verf en verfgebruik, om compositie en natuurlijk om voorstellingen of juist op het afstand daarvan nemen. Het gevolg is dat die ontwikkelingen zich in een schilderkunstig universum lijken af te spelen. Niet alleen de maatschappij is vrijwel onzichtbaar geworden, maar ook de kunstwereld zelf, de musea, galeries, blockbusters, verzamelaars, mecenassen, overheidssubsidies en kunstuitleen.

Op de vraag hoeveel schilderijen er tussen 1600 en 1800 in de noordelijke Nederlanden zijn gemaakt, geeft het boek in deel 2 een schattend antwoord: tussen de acht en negen miljoen. Voor alle eeuwen tezamen kunnen we dus wel een minimum van twaalf miljoen aanhouden, waarvan nog geen tien procent bewaard is gebleven. Daarvan valt een fractie in deze drie delen te bekijken. Valt daar nu een kenmerkende traditie in te bespeuren?

Bij het benoemen van kenmerken van de Nederlandse schilderkunst – dat wil zeggen de Noord-Nederlandse, (het zuiden heeft vanaf de 17de eeuw een andere weg bewandeld) vallen al snel termen als realisme en naturalisme, huiselijkheid en alledaagsheid. En na het bekijken van de middeleeuwse miniaturen, de Vlaamse Primitieven, de 17de-eeuwse stillevens, de 18de-eeuwse familiestukken, de 19de-eeuwse landschappen, dan kan je toch niet anders concluderen dan dat de Nederlandse schilders tot in de 20ste eeuw allereerst nauwkeurige waarnemers en weergevers zijn geweest met een antenne voor het detail. En ook al wilden ze een hogere waarheid of een boodschap, een religieuze of politieke overtuiging uitdragen, dan nog waren hun middelen realistisch van aard en bleven ze dicht bij huis.

Maar juist in de afgelopen decennia is ook de nadruk gelegd op de invloed van internationale stromingen; de invloed van Italiaanse en Franse schilders, op de traditie van de historieschilderingen en op het krachtige werk van Hollandse classicisten. Toch is er ook dan bijna altijd een Hollandse draai aan te wijzen, waardoor het verhevene iets aards heeft behouden, het dramatische ook iets realistisch.

We kunnen de vraag ook omkeren: wat konden de Noord-Nederlandse schilders niet, of althans wat deden ze vergeleken met het buitenland niet? Het lijkt er op dat de romantiek, het grote gebaar, heroïek en ook het symbolisme hier nooit tot wasdom is gekomen. Dramatische stukken, zijn er wel maar overtuigen niet meer en vallen als theatraal, sentimenteel of kitsch door de mand. Laat dat maar aan Duitsers of de Fransen over. Wij hebben genoeg aan een ijzeren traditie van de vele gedaanten van het realisme die al vroeg inzette en met hoogtepunten en inzinkingen tot in de 20ste eeuw is blijven bestaan. De sporen daarvan zijn in deze boeken op elke bladzijde terug te vinden.