Lijden aan ‘heimwee als een manier van leven’

Andrew O’Hagan: Blijf bij mij. Vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters. De Geus, 284 blz. € 22,50

Andrew O’Hagan: Blijf bij mij. Vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters. De Geus, 284 blz. € 22,50

In de kleine parochie aan de Schotse westkust die hem door de bisschop is toegewezen, vindt pastoor David Anderton weinig aansluiting bij de plaatselijke bevolking. Wel raakt hij steeds meer in de ban van de 15-jarige Mark en diens vriendin Lisa. Hij gaat met ze naar de stad, neemt ze mee op een boottochtje naar een eilandje voor de kust en als hij na een lange, doorwaakte nacht Mark mee naar huis neemt om naar muziek te luisteren, drukt hij de jongen een kus op de mond – net op het moment waarop zijn huishoudster de kamer binnenkomt.

Halverwege Blijf bij mij, de derde roman van Andrew O’Hagan, lijkt het verhaal duidelijk: een 56-jarige pastoor gaat ten onder aan zijn fascinatie voor een 15-jarige jongen. Maar eigenlijk is David Anderton al veel eerder ten onder gegaan; dat wordt duidelijk wanneer O’Hagan de desastreuze nasleep van de kus uitstelt en eerst de studententijd van David Anderton beschrijft.

In de jaren zestig maakt David in Oxford deel uit van een groepje estheten die dwepen met Proust en neerkijken op studenten die politiek actief zijn. Toch wordt hij verliefd op Conor, een van die activisten. Hun verhouding is nog maar net begonnen als Conor bij een verkeersongeluk om het leven komt. Ook Davids leven houdt dan in feite op. ‘Mijn leven zal voorbijgaan zonder dat ik ooit nog een kus op mijn mond zal proeven’, zegt hij tegen zichzelf, en het is niet duidelijk of dat een voorspelling of een voornemen is.

Er is wel meer onduidelijk. Rouwt de pastoor om Conor of om zijn eigen jeugd? Hij lijdt aan ‘heimwee als manier van leven’, wat hij omschrijft als ‘het gevoel dat je verbannen bent uit een plaats waar je thuis zou kunnen horen’. Hij verwacht niets meer van het leven, maar ook niet van zichzelf, en dat is misschien een iets te gemakkelijke oplossing. In feite lijdt hij aan een uiterst trage vorm van zelfvernietiging, en als hem de mogelijkheid wordt geboden dat proces te versnellen door de mond van Mark te kussen, grijpt hij die gelegenheid met beide handen aan.

Het is verleidelijk om de irritatie die deze passieve estheet oproept op de schrijver te richten. Is het werkelijk de bedoeling dat we kritiekloos worden meegesleept door de veronderstelde tragiek van pastoor Anderton?

Maar dat is te simpel gedacht. Door de afstandelijke verteltoon zou je het bijna vergeten, maar het verhaal wordt wel degelijk verteld in eerste persoon enkelvoud, en die eerste persoon is Anderton zelf. Hoe betrouwbaar is deze verteller, wat houdt hij allemaal voor zich? Waarom heeft hij het zo weinig over zijn geloof? Doet hij niet te luchtig over geestelijken die hun jonge pupillen zouden hebben misbruikt? Het boek geeft geen uitsluitsel over deze vragen, en dat is wel zo prettig. O’Hagan behandelt zijn lezers als volwassenen, die zelf hun conclusies mogen trekken.

Blijf bij mij is een zorgvuldig gecomponeerd boek dat vragen oproept over subjectiviteit en het cultiveren van verdriet. Het is jammer dat de vertalers er niet altijd in slagen de afgewogen en verraderlijk terloopse stijl van O’Hagan recht te doen. Vaak blijven ze te dicht bij het Engels en in de dialogen worden archaïsche termen gebruikt als ‘ga toch heen’. Echt storend is dat het ze niet is gelukt het idioom van de plaatselijke jeugd geloofwaardig te vertalen. Ze leggen 21ste- eeuwse Schotse hangjongeren termen in de mond als ‘alles kits’, ‘uit je bol gaan’ en ‘retegaaf’, om maar te zwijgen van ‘je bent een giller’. Zelfs presentatoren van EO-jongerendagen praten al lang niet meer zo.