Kwetsbare meisjes

De meesterlijk schilderende John Millais is bekend om zijn prerafaëlitische werk. Wat hij na die periode maakte, is minstens zo interessant.

De kunstenaar was, volgens John Everett Millais (1829-1896), een spirituele mentor van de menselijkheid, en het kunstwerk een verbeelde preek. „Het denken van mensen richten op goede overwegingen, en zo het kunstenaarschap de betekenis geven van een onwerelds nut voor de mens. Dit is het grote doel van de schilderkunst”, schreef de 22-jarige schilder op 28 mei 1851 in een brief aan Mrs. Combe, die zojuist een schilderij van hem had gekocht.

In 1848 richtte Millais, samen met onder anderen Dante Gabriel Rossetti en William Holman Hunt, de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Dit genootschap van schilders, dichters en critici wilde terug naar wat zij zagen als de eenvoud en puurheid van de kunst van vóór Rafaël, van vroege renaissanceschilders als Fra Angelico. Zij keerden zich tegen het corrupte academisme van de Royal Academy.

„Niemand is een goede tekenaar als hij zich niet van de klassieke orde kan ontdoen”, hield Millais zijn studenten voor. De schilderkunst moest gebaseerd zijn op de directe observatie van het leven en de natuur.

In het Van Goghmuseum is een overzicht van het werk van Millais te zien, gemaakt in samenwerking met Tate Britain in Londen, van ongeveer honderd schilderijen en tekeningen. Millais’ beroemdste werk is Ophelia (1851-’52, 76 x 112 cm). Ophelia, de geliefde van Hamlet in Shakespeares toneelstuk, verdronk zichzelf nadat Hamlet haar vader had vermoord. Daar drijft zij in de rivier, in een groene oase van weelderige planten en bomen. Millais’ meesterschap toont zich hier in zijn volle glorie. Het is toveren op het oppervlak van het doek, met tintelingen van zilverwit kant van de dunne, doorweekte jurk en glinsteringen van bloemetjes in de intense kleuren van glas-in-lood.

De hoge doelstelling van Millais leidde aanvankelijk tot een merkwaardige combinatie van realisme en symbolisme. Hij schilderde realistisch om verhalen te kunnen vertellen die door iedereen begrepen zouden worden, en symbolistisch om een diepere betekenis achter de dagelijks werkelijkheid te onthullen.

Een voorbeeld is Christus in het huis van zijn ouders (1849-50, 86 x 140 cm). We zien Jezus als jongetje, gekleed in een witte jurk en op blote voeten, voor een tafel waar Jozef aan staat te werken. Hij heeft zich bezeerd aan een spijker en toont de wond in zijn hand aan Jozef en aan zijn moeder, die naast hem knielt. Maria voorziet, zoveel wordt duidelijk uit de smartelijke uitdrukking op haar gezicht, het lijden waar de verwonding naar verwijst. Ook de spijkers op tafel, de nijptang, en andere voorwerpen wijzen vooruit naar Jezus’ kruisdood.

Het schilderij veroorzaakte een storm van kritiek. Men vond de realistische detaillering en het niet-geïdealiseerde uiterlijk van de heilige familie verschrikkelijk. Charles Dickens schreef dat Maria er „net zo afschuwelijk uitzag als een wangedrocht in de smerigste kroeg van Engeland”. De figuren hebben vieze blote voeten en zwarte nagels. Millais had de werkplaats ter plekke geschilderd in een schrijnwerkerij in de buurt. De grond ligt bezaaid met houtkrullen, planken staan klaar, aan de muur hangen werktuigen.

Toch laat het doek een allesbehalve gewone wereld zien. De kleding is middeleeuws, en een bloot jongetje draagt een schortje van bont (Johannes de Doper). Alle dingen hebben een dubbele betekenis: de werkbank is een altaar, de houten wand erachter een koor-afsluiting, op een ladder zit boven het hoofd van Jezus een witte duif (de Heilige Geest) en bij de deur dromt een kudde schapen (de gelovigen) samen.

Het is inderdaad een raar, pathetisch schilderij. Maar het was ook een revolutionair schilderij. Christus in het huis van zijn ouders is een van Millais’ eerste prerafaëlitische werken. De fresco-achtige manier van schilderen in een precieze, tekenachtige stijl en in lichte kleuren is ontleend aan de vroege Renaissance. Hier is geen spoor te bekennen van de heroïsche dramatische composities van de neobarok zoals die in de mode waren.

Millais schilderde Ophelia in de zomer en herfst van 1851, bij Kingston upon Thames in Surrey. Met wetenschappelijke nauwkeurigheid bestudeerde hij het gebladerte, waarbij hij een vergrootglas aan de takken hing om het beter te kunnen zien. Het resultaat is hyperrealistisch en magisch, alles is tot in het kleinste detail weergegeven. De werkwijze was ongebruikelijk: Millais schilderde eerst de achtergrond, en voegde later, in zijn atelier in Londen, Ophelia toe. Deze omgekeerde manier van werken paste Millais vaker toe. Eigenlijk kan hier niet gesproken worden van voor- en achtergrond, beide zijn even indringend aanwezig.

De roodharige actrice Elizabeth Siddall poseerde voor Ophelia, urenlang liggend in koud badwater. Zij is het toonbeeld van onschuld en overgave, met de mond half open en de handen zijwaarts geopend.

De vrouw was in de tweede helft van de negentiende eeuw een geliefd onderzoeksobject van de wetenschap. Hysterie werd beschouwd als een typisch vrouwelijke aandoening die leidde tot neerslachtigheid en zelfmoord. Er werd wild gespeculeerd over de mogelijke oorzaak van de ziekte, zoals een verschuivende of zelfs wandelende baarmoeder.

De weerloosheid en kwetsbaarheid van Ophelia zijn erotiserend. Overweldigingsfantasieën spelen een onmiskenbare rol in het werk van Millais. Het Bruidsmeisje (1851, 28 x 20 cm) is een broeierig portret van een jong meisje met lang rood haar, frontaal en in close-up afgebeeld. Het is magnifiek geschilderd, met het haar als goudkleurig stromend water en een glanzende zilveren suikerstrooier op tafel. Ook Het Blinde Meisje, een bedelares in vodden, heeft die combinatie van onschuld en sensualiteit. De kleuren van het groene landschap, de regenboog, zelfs het oranje en blauw van de voddenkleding, zijn oogverblindend. Aan sociale kritiek deed Millais niet.

Wel verbeeldde hij in zijn genrestukken deugden als patriottisme, liefde en trouw. Goed geschilderd, maar de sentimentaliteit en pathetiek zijn onverdraaglijk.

Op de bovenverdieping van de tentoonstelling hangt het werk van na de prerafaëlitische periode. Millais legde zich vanaf ongeveer 1860 toe op een losse, expressieve stijl. Deze schilderijen zijn zeker zo interessant als het prerafaëlitische werk. In De avond van Sint Agnes staat een half ontkleed meisje in een donkere kamer vol zware schilderijen en gordijnen in blauwwit maanlicht. Prachtig zijn de weelderige portretten, van Sophie Gray bijvoorbeeld. In het portret van drie zussen Harten is troef, lijken niet de jonge vrouwen maar hun absurde wijde en gelaagde rokken onder de tafel het eigenlijke onderwerp te zijn. En het latere portret van Louise Jopling (1879), een kunstenares en suffragette die goed bevriend was met Millais, toont voor het allereerst een vrouw die niet opgaat in erotische dromen of in handwerk, maar die de beschouwer recht en zelfbewust aankijkt. Misschien was de schilder zelf inmiddels ook geëmancipeerd.

Millais kon veel. Misschien wel alles, zoals ook de late weemoedige, atmosferische Schotse landschappen in gedekte groene en bruine tinten laten zien. Van Gogh bewonderde ze en schreef over Oktober kilte: „Wat is ’t slijk mooi, en het verleppend gras.” Millais is hier ver verwijderd geraakt van de microscopische weergave van natuur in diamant en schitterende kleur.

In de latere jaren is Millais ook verwijderd geraakt van hoge doelen en onwerelds nut. Hij was een schilder geworden die gevierd was in society-kringen en die het copyright van werken verkocht aan uitgevers ter reproductie of voor reclamedoeleinden. Het jongetje met de zeepbellen sierde jarenlang van verpakkingen van Pear’s Soap.

Zo heel onwerelds en spiritueel waren de vroege schilderijen trouwens ook al niet. Millais heeft als geen ander de dubbele moraal en de ingewikkelde paradoxen van het Victoriaanse tijdperk verbeeld.

John Everett Millais, tentoonstelling in het Van Goghmuseum, Amsterdam. T/m 18 mei. Geopend dagelijks 10-18u, vrij 10-22u. www.vangoghmuseum.nl.Gelijktijdig: ‘Me Ophelia’. Foto’s.