‘Ik wilde de teugels strak houden’

Haar geliefde liet haar in de steek. Doeschka Meijsing laat in haar roman hetzelfde gebeuren. “Je denkt in zo’n situatie: wat is dat diepe ego eigenlijk waard?’’

Over de liefde. De nieuwe roman van Doeschka Meijsing gaat over de schaamte van iemand die door een geliefde in de steek wordt gelaten. Maar waar bestaat die schaamte eigenlijk uit? Niet uit seksuele jaloezie, zegt Meijsing. „Uit krenking. Als een zo sterke verbondenheid eenzijdig wordt opgezegd, drijft dat een vileine pijl in je lijf. Na de krenking komt de schaamte. De overkoepelende emotie is wrok. Die is al zo oud als de literatuur. De Ilias begint met: zing mij van de wrok. Wrok is een motor die iets op gang brengt.”

Meijsing moest deze roman schrijven, of ze wilde of niet, om een liefdesdrama te ontleden dat haar zelf is overkomen. Maar wat zijzelf als onderzoek beschouwde, dreigde een sleutelroman te worden. Hoe dat te voorkomen?

Zij beschrijft het werken aan Over de liefde als een vorm van dressuur. „Ik ben een tweede Ankie van Grunsven, het voelde echt alsof ik op een paard zat, de teugels strak in handen en elke spier gespannen. In werkelijkheid was de situatie zo precair dat ik me geen misstap kon veroorloven, want dan wordt het grof en zo weerzinwekkend. Het moest dus heel precies en heel beheerst”.

In de roman wordt de lesbische hoofdpersoon Pip door haar veertien jaar jongere vriendin Jula ingeruild voor een man. Dat is de kern, waartoe de schrijfster het verhaal terugbrengt. In haar eigen leven kwamen daar nog meer dramatische gegevens bij. Haar ex kreeg een kind van haar nieuwe geliefde – een jongetje dat Meijsing inmiddels ‘het beste product van de schepping tot nu toe noemt’ – en terwijl zij afgelopen zomer op Tenerife aan het boek over de teloorgang van haar liefde werkte, ging de vader van dat kind dood. Bovendien ging het over personen met een zekere publieke bekendheid, de voormalige hoofdredacteur van Vrij Nederland Xandra Schutte en de vorig jaar overleden publicist Hendrik-Jan Schoo.

Dat laatste kan niet onbesproken blijven, omdat hier het probleem van het schrijverschap in zijn verhouding tot de werkelijkheid opduikt in een even schijnbaar banale als wezenlijke vorm. Meijsing: „Eén van de kunsten van het schrijverschap is dat je uit een berg verwarrende gegevens precies datgene haalt wat de essentie van het leven of de liefde raakt. Mij ging het erom dat ik langs mijn eigen leven scheerde, een leven dat tot mijn verdriet voor een groot deel openbaar was. Voor mij is komen vast te staan dat dat het deel is dat er het minste toe doet. Wat er toe doet is wat het betekent als je in de steek wordt gelaten, wat dat voor verdriet is.”

Al het andere zou het verhaal volgens de schrijfster nodeloos hebben gecompliceerd. „Ik wilde het zo veel mogelijk houden bij een vrouw die in de liefde drie keer een verkeerde hand van werpen heeft gehad, en haar partner die plotseling verliefd wordt op een man. Overigens heb ik me afgevraagd of ik dit boek nog wel kon afschrijven, toen die man dood was. Ik dacht dat het misschien buitengewoon brutaal zou zijn.

,,Maar deze roman moest er komen. Wel heb ik overwogen om de zinnen die ik al over hem geschreven had aan te passen of minder erg te maken, maar ze bleken helemaal niet zo erg te zijn. Zijn dood is een veel groter thema dan ik kon gebruiken. Als je over de dood schrijft, heb je het over een veel definitiever verlies en dan zou het een heel ander boek zijn geworden.”

Een van de kwesties die hoofdpersoon Pip bezighouden is de plotselinge bekering van haar geliefde Jula tot de heteroseksualiteit. Zijdelings komt ter sprake dat het met de wens tot nageslacht te maken kan hebben. „In het boek haalt een broer van Pip Schopenhauer aan over de wil tot macht van het nageslacht. Het nageslacht roept ik wil bestaan.”

Meijsing vindt dit, ondanks de mogelijkheid die er voor homo’s bestaat om via adoptie, draagmoederschap of zaaddonors kinderen te krijgen, wel een plausibele verklaring voor de aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen. “Het heeft in elk geval de ratio aan zijn kant. Homoseksualiteit is iets overbodigs, vinden Pips broers. Zelf heeft Pip dat nooit zo gevoeld, ik ook niet. Dat Jula zich tot heteroseksualiteit bekeert uit verlangen naar een kind behoort tot de mogelijkheden.”

Tirade

Zelf is Meijsing er sinds haar elfde ervan overtuigd dat ze geen kinderen wilde. „Misschien komt mijn volhardende homoseksualiteit wel daar uit voort. Wie weet is nageslacht inderdaad de bedoeling van de schepping. En is een huwelijk voor de voortplanting bedoeld. Homo’s moeten zich ervan bewust zijn dat ze zich niet kunnen voortplanten. Daarom houdt Pip ook een tirade tegen het homohuwelijk, waar ik ook tegen ben. Niet tegen gelijkberechtiging uiteraard, of tegen een samenlevingscontract tussen homo’s, maar noem het alsjeblieft geen huwelijk.”

De oorzaak van Pips schaamte laat Meijsing haar zoeken bij haar onvervulde eerste liefde voor de ongenaakbare heteroseksuele gymnastieklerares Buri Vermeer, die zich op haar beurt schaamt voor haar eerste liefde voor een Japanse kampbewaker. „Een eerste verliefdheid, hevig en goed doorleefd, is idioot belangrijk, die bepaalt alles, alle voorkeuren en richtingen die je opgaat. Als Buri over haar overleden echtgenoot zegt: we hadden een goed huwelijk, dan denkt Pip: god dat zeg ik ook altijd over Jula. En tegelijkertijd vertelt Buri dat alles minder was in de liefde dan haar eerste verliefdheid op die kampbewaker. Pips opflakkerende verliefdheid op Buri terwijl ze rouwt om Jula is een verlangen naar de zuiverheid van de eerste verliefdheid. Op het moment dat het boek begint is voor haar alles bezoedeld.”

Maar het gevoel van schaamte zit veel dieper dan schaamte voor homoseksualiteit of voor een verboden liefde zoals Buri had, de schaamte heeft te maken met de totale uitlevering aan de liefde, het naakte achterblijven daarna. „Uiteindelijk denk je in zo’n situatie: wat stel ik eigenlijk voor, wat is dat diepe ego eigenlijk waard. Het kan zo te kijk gezet worden, het kan weggedaan worden. Het is schaamte voor de eigen gevoelens, voor het eigen bestaan, het is existentiële schaamte.”

Hier spreekt de auteur voor haar hoofdpersoon, zoals de hoofdpersoon in de roman spreekt voor de auteur. Maar schrijfster kon en mocht die hoofdpersoon van Over de liefde niet zijn. „Dan was het boek onvermijdelijk een wraakoefening geworden. Daar heb ik aanvankelijk wel aan gedacht. Ik had er ook een leuke titel voor, Meisjes van goede wil, maar terugslaan is niet interessant. En ik wilde er ook geen klaagzang van maken, of een autobiografie. Dus was ik heel blij met het personage van Pip die als archeologe in het verleden graaft. Ze heeft een soort Karel van het Reve-achtige recht-toe-recht-aanheid, je kunt erg om haar en haar grimmigheid lachen. Ze heeft ook wat van mij, maar ze bood me vooral de mogelijkheid het drama een beetje van mezelf weg te houden.”

Grap

Een kenmerk van al Meijsings romans is dat er problemen in onderzocht worden die ze wil doorgronden. In Honderd procent chemie analyseert de hoofdpersoon de relatie met haar moeder, met als grap erin dat ze een onbetrouwbare verteller is over wie de moeder telkens zegt: alles wat jij vertelt is onwaar. Hoe betrouwbaar is Pip eigenlijk als vertelster? In haar leven heeft ze, net als Doeschka Meijsing, drie langdurige liefdesrelaties gehad, waarvan er twee uitvoerig de revue passeren, waarom zwijgt ze over de eerste?

Direct neemt Doeschka het van Pip over: „Omdat mijn eerste ex de builenpest kan krijgen. Alles wat ik over haar schrijf is te veel eer. Maar we hebben het over de roman. Met haar twee andere geliefden, Maret en Jula, heeft Pip gelukkige jaren gehad, ongeacht de afloop en dat blijft staan. Over de liefde onderzoekt niet de haat of de wraak, maar de liefde en de begeerte.”

In de roman speelt begeerte geen grote rol tussen Pip en Jula, maar wel tussen Jula en haar nieuwe vriend. Zij zegt niet zonder hem te kunnen leven. „De pijnlijke implicatie voor Pip is dat Jula zonder haar kennelijk wél kan leven en je moet je maar eens voorstellen hoe het is als in een goed huwelijk de één tegen de ander zegt: ik kan niet meer met jou leven. Dan stort alles in elkaar.”

Maar in het boek zegt Jula juist niet dat ze niet meer met Pip kan leven. Ze stelt zelfs voor om een LAT-relatie met haar te beginnen. „Uitgesloten,’’ antwoordt Meijsing voor haar personage. „Pip ligt niet wakker van overspel, maar ze is niet van plan een derde in de relatie toe te laten. Ein Dritte im bunde is geen bond meer, dat is verraad. Eén van de drie moet zich wegcijferen en daar is Pip niet het karakter voor. Breken is breken. Jula is van de soort: ik blijf je altijd liefhebben. Ze wil de hele tijd goede maatjes blijven, terwijl Pip denkt: nee, jij hebt een ander gekozen en als jij zo stom bent om een zo leuk iemand als ik in te ruilen, dan heb je ook geen rechten meer op mijn leukigheid. Dat is een hoogmoed die in de diepste ellende bij haar naar bovenkomt.”

Meijsing is ervan overtuigd dat Pip model kan staan voor veel vrouwen van rond de zestig. „Als ze weg zwemt aan het eind van het boek, heeft ze een raadsel opgelost en voelt ze zich autonoom en vrij. Ze kijkt naar Jula en haar blonde jonge en succesvolle vriendinnen op de kade, en ze denkt: wacht maar, over vijf jaar zijn jullie allemaal teleurgesteld en uit je banen gezet. Ze behoort tot een generatie sterke vrouwen, die zulk verdriet achter de rug heeft. Over mijn boek kun je zeggen: Kijk daar gaat Pip, ze is aantrekkelijk, ze is vitaal. Wat een leuke vrouw.”

Doeschka Meijsing: Over de liefde. Querido,238 blz. €18,95.