Ik dank aan Krull twee levensjaren

De eerste helft van het boek vertelt genoeg over het bedrog van de gemaniëreerde opschepper Felix Krull. Vergeet de tweede maar.

Felix Krull is veertig jaar oud als hij in de gevangenis tijd heeft om zijn opwindende leven te gaan beschrijven. Als jongetje woonde hij in de tweede helft van de 19de eeuw, net zoals Multatuli dat in de laatste jaren van zijn leven deed, in een luxueuze villa aan de Rijn bij Wiesbaden.

In een uitvoerige en zelfgenoegzame stijl waarin je direct de handige opschepper en sluwe oplichter herkent, vertelt Felix in zijn memoires zonder enige schaamte hoe hij als jongetje iedereen bedroog: zijn moeder, de huisarts, de snoepwinkel, de school, de pastoor die hij wijsmaakt dat zijn vader geen zelfmoord had gepleegd toen hij failliet was gegaan, en een hele massa van enthousiast klappende kijkers toen die vader hem een mooi pakje had aangetrokken en een vioolstok, bestreken met vaseline, in handen had gegeven zodat hij zogenaamd als wonderkind viool kon spelen bij een kuuroord-orkestje.

Die vader zag met instemming hoe zijn zoon zich met sierlijk bedrog door alle problemen van winkeldiefstal en schoolverzuim werkte. Zijn champagnefabriek ging failliet, hij schoot zich door het hoofd, zijn weduwe moest een armoedig pension gaan houden, maar zijn zoon zou zich met mooie praatjes wel door het leven slaan.

Eigenlijk wordt in dat eerste deel, dat Thomas Mann een eeuw geleden schreef, al duidelijk wat voor een charmante bedrieger, hoogstapelaar, confidence man, de kleine Felix worden zal. Misschien hield Mann daarom even op met de Bekentenissen van Felix Krull en schreef hij ettelijke boeken over veel verhevener zaken in zijn, nogal kinderachtige, drang om Goethe in te halen.

Een halve eeuw geleden schreef Mann nog een, twee keer zo dik, deel Felix Krull achter dat eerste deel aan. Direct werd het hele boek door Alice von Eugen, uitgeefster van Querido, vertaald. Eerlijk gezegd vind ik haar Nederlands, met spellingen als praestaties, philosoof en aetherisch, uitstekend passen bij de gemaniëreerde opschepper. Ik bedoel Felix Krull, niet Thomas Mann.

Mij schonk dat boek twee jaren van mijn leven. Ik leerde namelijk van Thomas Mann en Felix Krull hoe ik mij moest laten afkeuren voor de militaire dienst. Die scène had Querido-Verlag al in 1937 in het aangevulde eerste deel afgedrukt.

Je moet net doen of je juist heel graag in dienst wil: ‘O, majoor, keur mij toch goed alstublieft!’. Maar op een beslissend moment, als de keurder – geen majoor natuurlijk, maar blij met die hoge rang – naar je kijkt, moet je eventjes totaal je beheersing verliezen, je ogen laten rollen, bijna stikken, en door krampen overvallen worden. Als die benauwde seconden voorbij zijn, ontken je keihard dat er iets bijzonders met je gebeurde. Krull wordt daarop afgekeurd. Ik een eeuw later ook – ik durf het nu pas op te biechten, want ik denk niet dat Defensie me alsnog naar Afghanistan zal sturen.

Vrij van dienstplicht treint de jonge en armoedige, maar mooie en welsprekende, Felix naar Parijs, waar hij liftboy in een luxehotel kan worden. Bij de douanecontrole floept er een juwelenkistje uit de koffer van een rijke dame in zijn schamele bagage – vierduizend franken verdiend, en als hij diezelfde dame later weer ontmoet en seksueel bevredigt komen daar nog duizenden franken bij. Al die dingen zijn wel gek maar niet onmogelijk.

Op twee derde van het boek kun je het verhaal niet meer geloven. Of het begint je te vervelen. Een Schotse lord die hem naar Schotland wil meenemen – het woord homoseksueel bestond misschien nog niet – dat kan nog. Maar een Luxemburgse markies die van zijn familie een wereldreis moet maken doch bij zijn meisje in Parijs wil blijven en die daarom aan Krull vraagt om, in plaats van hem en op zijn kosten, de wereldreis langs adellijke vrienden in Portugal en Zuid-Amerika te maken en regelmatig gefakete brieven uit die landen te schrijven aan zijn ouders in Luxemburg, dat gelooft geen lezer meer.

Wat Felix vervolgens, het jaartal blijkt nu 1895 te zijn, aan stompzinnigs in Portugal meemaakt, en vooral de wijdkruipige, erudieterige en hoogstgeschaafde gesprekken en brieven die hij aldaar voert en schrijft, zijn te gek voor woorden, althans voor normale woorden. Hou hier rustig op met de bekentenissen te lezen als u er genoeg van hebt. Dat deed Thomas Mann ook met schrijven, ook al had hij nog een vervolg beloofd. De mop in de laatste regel zag u al lang aankomen en is ook niet heel amusant.

Vergeet Thomas Mann. Vergeet Duitsland. Vergeet de Wereldoorlogen. Vergeet de magische berg. Vergeet homoseksualiteit. Vergeet Goethe. Vergeet deze leesclub. Lees de bekentenissen van Felix Krull en geniet. Als het genieten ophoudt, hou dan op met lezen. Dit boek heeft geen voorgeschreven eind dat u moet halen, heerlijk.

Volgende week in de Leesclub over ‘Felix Krull’: Harry Mulisch over Thomas Mann en zijn alter ego’s.

Dit is de vierde aflevering in de discussie over ‘Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull’ van Thomas Mann. Discussieer mee via www.nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere artikelen te vinden zijn. Meer informatie is te vinden op www.the-ledge.nl, die met de Leesclub samenwerkt.

PROGRAMMA: Een man wordt ouder (Italo Svevo, januari) - Ontboezemingen van de oplichter Felix Krull (Thomas Mann, februari)- Alexis / Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) - Huwelijksverhalen (August Strindberg, april) - Pnin (Vladimir Nabokov, mei)