Gevaarlijker dan kryptoniet

Steeds meer romans getuigen van een in comics gedrenkte schrijversjeugd. Maar de nieuwe superhelden uit de literatuur zijn wel van een ander, menselijker slag dan hun stripvoorgangers.

Er was een tijd dat het lezen van comics werd gezien als een binnendoorweggetje naar ongeletterdheid. Het rijk van de superheld was het rijk van de puberale fantasie.

Het kan verkeren. De helden hebben zich intussen de stripspeciaalzaak uitgeknokt en bewonen nu belangwekkende romans, die sporen dragen van een in comics gedrenkte schrijversjeugd. Michael Chabon won de Pulitzer Prize met The Amazing Adventures of Kavalier and Clay, Jonathan Lethem maakte furore met The Fortress of Solitude, en Anthony McCartens De dood van een superheld werd in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk gekozen tot een van de beste boeken van het jaar. Terwijl die boeken vooral over makers en lezers van comics gaan, deed Austin Grossman een poging de wereld van de helden zélf te verliteraturen. Zijn Soon I Will Be Invincible (2007) is daarmee het – helaas niet erg geslaagde – diapositief van de literatuur-verstripping die we in de graphic novel zien.

Dat schrijvers het tegenwoordig aandurven om te getuigen van hun liefde voor de strip, is op zichzelf niet opmerkelijk. Ze maken af wat de generatie voor hen begonnen is: het uitgummen van de grenzen tussen hogere en lagere kunst. Ze kunnen gerust ‘uit de kast komen’, zoals Chabon dat in deze krant noemde, refererend aan het moment waarop hij besloot een roman te schrijven over twee comic-auteurs. Wel opmerkelijk is dat een nogal eendimensionaal stripgenre, dat stikt van de vaste, afgekauwde patronen, aanleiding kan zijn tot kwalitatief hoogstaande romans.

De wonderbaarlijke avonturen van Kavalier en Clay, van Michael Chabon, gaat over ontsnappen. Het boek opent in het door de nazi’s bezette Praag, waar de joodse jongen Joe Kavalier een Houdini-achtige goochelaar assisteert. Heb geen zorgen over waaraan je ontsnapt, houdt de leermeester Kavalier voor, maar waarheen je ontsnapt. Uiteindelijk weet Joe te ontkomen naar New York. Daar vormt hij – à la Superman- bedenkers Joe Schuster en Jerry Siegel – een twee-eenheid met neef Sam Clay, met wie hij de superheld The Escapist ontwikkelt. Deze zal hun fortuin brengen, al is het grotere kwaad van het fascisme er niet mee onder de duim te krijgen.

Lethems The Fortress of Solitude, een verwijzing naar de retraite van Superman, gaat over een soortgelijke vriendschap, maar dan één die geboren wordt in Boerum Hill, Brooklyn, in de jaren zeventig. Dylan is het kind van blanke bohémiens, Mingus de zoon van een uitgerangeerde zwarte soulartiest. Ze krijgen te maken met complexe raciale verhoudingen, waarbij de blanke Dylan in de zwarte buurt geregeld slachtoffer wordt van ‘yoking’, een spel waarbij de blanke iets afhandig wordt gemaakt door in te spelen op zijn angst als racist te worden geboekstaafd. Uiteindelijk krijgt Dylan van een oude drinkebroer een magische ring, die hem en Mingus omtoveren in de superheld Aeroman. Die metamorfose maakt het mogelijk wraak te nemen op oude pestkoppen, maar voorkomt niet dat ze hun eigen teloorgang orkestreren. Karakterzwakte – wrok en verslavingsgevoeligheid – wordt door superkrachten eerder uitvergroot dan weggenomen.

McCartens Dood van een superheld is qua ambitie bescheidener. Het vertelt het op ware feiten gebaseerde verhaal van Donald Delpe, een tekenaar met terminale kanker. Hij heeft maar één wens: niet als maagd te hoeven sterven. Seks is, zoals het jongens van veertien betaamt, voortdurend in zijn gedachten, en dat kleurt ook de wereld van zijn superheld. Met hulp van een therapeut in crisis en een chique prostituee wordt zijn wens werkelijkheid – maar niet op de manier die zijn redders in gedachten hadden. De held uit Donalds zelfgetekende strips laat in dit proces het leven. Net als de jongen zelf. Terminale kanker blijft tenslotte terminale kanker.

Akelig goedje

De gezamenlijke noemer in al deze romans is onmacht. De feilbare held biedt een dramatische ruimte die in een verhaal over de onwrikbare Superman niet mogelijk was geweest. Diens enige gebrek was gelegen in dat akelige goedje: kryptoniet.

De superheld is een uitvloeisel van de Amerikaanse mythe van de eenzame cowboy, die het dorp binnenrijdt, het geteisem een lesje leert en verdwijnt richting ondergaande zon. Zo’n sterke man is nodig in een maatschappij waarin onzekerheid en geweld niet worden weggenomen door de beschermende hand van de overheid. Wanneer er geen geloof is in geïnstitutionaliseerde oplossingen moet Batman, Superman of desnoods het A-team de vuile klusjes opknappen. Het genre kent zijn oorsprong in de jaren van de Depressie, toen bloeiende interesse in (pseudo)wetenschap samen ging met armoede en onzekerheid. Het was de tijd van literaire superhelden als The Shadow en The Avenger, maar ook van de getekende: Superman en Batman. Superieure, meestal steenrijke mannen, die nergens van in de war raakten en geregeld de wereld van de ondergang wisten te redden. Hun macht als remedie voor onze onmacht.

De schrijvers van nu zijn echter opgegroeid met Marvel Comics, die in de jaren zestig het idioom van de superheld grondig hervormden. De superheld was niet langer onkreukbaar. De held kon een nerd zijn met liefdesproblemen en kleinzielige vendetta’s (zoals Spider-Man); hij kon het resultaat zijn van onbeheersbare woede- uitbarstingen (de Hulk), of zelfs rijp zijn voor therapie (de Fantastic Four). Lethem, Chabon en McCracken hebben de logische volgende stap in de volwassenwording, of moeten we zeggen: het demasqué. Grote krachten – racisme, fascisme, kanker – zijn ontembaar, en ook de bovennatuurlijk begaafde superheld is uiteindelijk maar een mens. Geen enkele ontsnapping van de Escapist brengt de redding van Kavaliers familie in Europa dichterbij, en terminale kanker is doodgewoon dodelijk. Dat Donald een probleem – zijn maagdelijkheid – oplost, heeft hij uiteindelijk te danken aan niets meer of minder dan zichzelf.

Het duidelijkst gaat Lethem in op de onmachtige held. Het centrale thema van The Fortress of Solitude is ras, en juist de problemen die ras veroorzaakt zijn door Aeroman niet op te lossen. Het enige dat de ring whiteboy Dylan biedt is onzichtbaarheid, een verwijzing naar Ralph Ellisons racisme-allegorie The Invisible Man. Maar niet gezien worden is natuurlijk geen bevredigend antwoord op de terreur die je ten deel valt als je wél gezien wordt.

Een deel van de aantrekkingskracht van deze boeken komt voort uit oprechte liefde voor de comic. Chabons grootvader werkte in een drukkerij en bracht geregeld zakken vol blaadjes mee. Lethem schreef essays over de materie, onder meer in zijn bundel Men and Cartoons. Beide schrijvers verrijken met kennis en liefde hun literaire werk. Daarmee hebben ze een voorsprong op McCarten, wiens kennis oppervlakkiger is, en wiens liefde minder waarachtig voelt. Zijn boek is vooral een internationaal succes dankzij de toegankelijkheid en de emotionele uppercut die het slot toedient. Maar vorm en aaibaarheid maken het suspect. De dood van een superheld is in een dramatische structuur gestoken die we kennen van televisiefilms gesponsord door een zakdoekenfabriek. De rafelranden van de outsider – en de echte comicsfanaat ís een outsider – ontbreken.

Duistere satires

Comics zijn in de eerste plaats iconografie, zelfs de Marvel-comics met ‘gevoelige, kwetsbare’ superhelden als Spider-Man en The Fantastic Four, ja, zelfs de duistere satires die recenter uit de (teken)pen van Frank Miller (The Dark Knight) of Alan Moore (V for Vendetta, The League of Extraordinary Gentlemen) vloeiden. Het gaat in comics niet om dramatische finesse maar om het grote gebaar. Grossman, die voorheen ontwikkelaar was van computerspelletjes, schurkt te dicht tegen de taal en de set pieces van het genre om in Soon I Will Be Invincible tot iets nieuws te komen. Het is het oude liedje van de aartsslechterik die zijn superkracht meet met toffe helden. Chabon, Lethem en in mindere mate McCarten hebben meer durf, en voegen zowel aan de strip als aan het literair idioom iets toe.

Dit zijn allemaal romans geschreven door de lezers van de jaren zestig en zeventig. In zekere zin vloeien hun romans dan ook voort uit de comics van die tijd. De comic heeft zich sindsdien echter verder ontwikkeld – is duisterder, grimmiger en satirischer geworden. Het is interessant te volgen welke rol de superheld in literatuur van de jongste generatie comicfanaten zal spelen. Maar ook hoe de romans van hun ouders van invloed zullen zijn op de comic van nu. Want dat de beïnvloeding wederzijds zal zijn, heeft Chabon al bewezen. Diens Escapist kreeg zowaar zijn eigen stripreeks. Zo ontsnapte hij van boekhandel weer terug naar de stripspeciaalzaak.

In Het Joods Historisch Museum in Amsterdam opent op 7 maart een tentoonstelling over strips van joodse kunstenaars. Inl. www.jhm.nl