Er kraken heel oude kranten

De kunst krijgt ervan langs in de 22ste poëziebundel van H.H. ter Balkt. En daarnaast houdt hij een pleidooi voor vurige inspiratie – die mag niet doven.

H.H. ter Balkt Foto Vincent Mentzel Harry H.ter BALKT,auteur en PC Hooftprijswinnaar 2003. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Nijmegen, 12 mei 2003 Mentzel, Vincent

H.H. ter Balkt: Vuur. De Bezige Bij, 78 blz. € 16,50

Na 21 eerdere bundels is het een feest van herkenning. In Vuur overweldigt de bard van het oosten opnieuw zijn lezers met visionaire kronieken en oden. Hondsdraf, landbouwgereedschap, pompstations en culturele helden worden gelijkelijk bezongen. En het dichterlijke blikveld van H.H. ter Balkt beslaat en verbindt alle eeuwen. ‘De Honderdjarige Oorlog begon’, schrijft hij in zijn cyclus over de Nijmeegse gebroeders Van Limburg:

De Honderdjarige Oorlog begon

… zoals in feite

die hele, mooie twintigste eeuw van ons

een Honderdjarige Oorlog was

We zijn dan op pagina 11 van de 78, en de toon is gezet. De dichter is niet gelukkig met het huidige tijdperk en laat niet na dat in driftige beelden te uiten. ‘Het sneeuwde, na Freud’ schrijft hij in het slotvers van zijn ‘Nijmeegse getijden’, ‘een tijdlang psychologen en psychiaters. De echte sneeuw achtte het niet nodig nog langer te vallen; het landklimaat heerste nu in de landen, en, niet te vergeten, in de kunstgebieden! en, after all, het was immers al koud genoeg…’

Ook de kunst krijgt er dus van langs. Ter Balkt legt de woorden weliswaar in de mond van de evangelist Johannes, maar waar hij onmiskenbaar zelf spreekt is de toon even bitter – al is er meestal ook een verbeten hoop. Een superieur voorbeeld daarvan is het gedicht ‘De toeëigenaars werden grondwolven’. Bij terugkeer in zijn geboortedorp Usselo ziet de dichter dat de Usseleres opnieuw grond heeft geofferd voor de dodenakker. ‘O Usselo concentraat van sterfte!’ verzucht hij dan: ‘Maar de koffie kan ons niet krijgen / en de zwarte evangeliën niet / Er zal ergens een doorgang zijn / de wagensporen zullen niet jammeren, / er zal een voetstap van wolken blijven, / zonneklaar schijnt nog ergens licht’.

De strijd tussen natuur en mens is een vast thema in Ter Balkts poëzie. De dreiging is wederzijds.

In het gedicht ‘De dennen’ zijn de bomen meester over de mens, want: ‘O wandelaar / de tak boven je stookt je oven, / soms leunt aan je gezicht al je kist.’ Ter Balkts standpunt is duidelijk: hij staat aan de kant van de flora. ‘Brem bij je akkers weersta de winter!’ moedigt hij aan. Elders adviseert hij de ‘inwoners’ hondsdraf onder hun ramen te planten. De vlier en het klavertjevier worden liefdevol bezongen, en exemplarisch is de ode aan ‘De peppels’:

In hun windschermen tegen ’t noodweer

Vielen kijkgaten voor verspieders;

In hun marskramerkist geen proviand;

Niet langer land van melk en honing.

Het jaagt drukdoend door je bladeren,

Peppels. Wijk niet voor de klompenmakers.

Met groot materieel rukt de nacht uit,

Langs je stammen siddert wind en geest.

Dit is een tijdloos vers, zoals wel meer gedichten van Ter Balkt dat etiket verdienen. De dichter is ook niet gelukkig met de poëzie van zijn tijdgenoten. ‘Ga naar huis poëzie’, schrijft hij in het gelijknamige vers. ‘Ga naar huis, Poëzie, en neem mij mee.’ Du Fu (712-770), Luis de Góngora (1561- 1627) en Velimir Chlebnikov (1885-1922) inspireerden hem en aan de 17de-eeuwse vaderlandse dichter Heiman Dullaert, schrijver van ‘Een korenwanner aan de winden’, droeg hij zijn dwingende evocatie van ‘De wan’ op.

Ook de Amerikaanse modernist Wallace Stevens wordt toegesproken, maar corrigerend. ‘Poëzie,’ meldt Ter Balkt hem: ‘Poëzie werd de drempel van t gesticht, / de wolf in het schaap, liet het fata / morgana zien, dompelde dan dodelijker, / dieper, je rede in de helse woestijn. / Poëzie was toen een cent in Siberië, / kraan zonder water en een hond op zee.’ En dat is nog maar het eerste van vijf slagvaste coupletten. Poëzie werd krachteloos volgens Ter Balkt. ‘Poëzie is geen leeuw, werd een tijger, / Wallace Stevens; doodt geen man nee… / enkel fokt zij nu wrede visrussen / van ondermijning; twijfel.’

De dichter is boos, en hij heeft alle recht, want zijn eigen Vuur is een bomvol pleidooi voor het vuur van de inspiratie. Het vuur dat, zoals de dichter zelf op het achterplat schrijft, ‘niet uit mag gaan; en dat op een dag hopelijk door de eendagsvliegen en de eendagsgoden zal worden verlaten’. In een goed gedicht klinkt helderheid, heeft Ter Balkt meermaals betoogd. Maar dan toch wel een helderheid die het raadsel op vanzelfsprekende toon onverlet laat, zoals in ‘Yemantszoon, Oudejaarsavond’:

Yemantszoon koopt zout in het dorp.

Kleiner dan de witte maansikkel

is dat dorp en Yemantszoon haast zich

naar ’t dorp door sneeuwzeisen gemaaid.

Met verborgen vossenogen rondom,

met doodstil sneeuwen op de takken,

roggeakkers als gestopte trompetten

rondom hem, loopt hij naar het dorp.

Er kraken heel oude kranten, geel,

die zeggen dat er iets mis is, al lang.

Er kraken stokoude takken, besneeuwd

zuchten ze ‘Het is mis, het is mis.’

Yemantszoon koopt zout bij Bath

in het eeuwenlang ondergesneeuwd dorp.

Schoorstenen roken hard. De sneeuw

is wit en de kranten voorspellen

‘Yemantszoon wordt sneeuw op de weg!’

Yemantszoon om zout gegaan in ’t dorp,

hij valt niet neer op de weg. Neer

stort van de deuren de bloedzuigertros.

Zo’n superieur winterlied met de complexe ondertonen van Elckerlijc is niet het product van een eendagsvlieg. Ter Balkts werk is een eindeloze symfonie van weerbarstige woede en tedere verwondering. Vuur verraadt opnieuw de hand van de grootmeester.