Elke brasem wordt gemeten en gewogen

De visstand zegt veel over de waterkwaliteit en die moet flink beter, vindt Brussel.

Dat betekent werk aan de winkel voor enkele honderden Nederlandse beroepsvissers.

De veelgeplaagde binnenvisser heeft een nieuwe bron van inkomsten in het verschiet. De teruglopende palingstand bracht menig collega tot wanhoop, maar taaie EU-wetgeving biedt uitkomst. Brussel streeft er naar de kwaliteit van alle Europese binnenwateren in 2015 op orde te hebben. Dus geen troebele meren en stinkende rivieren meer. Nee, het water moet zó helder worden, dat de zalm weer massaal door Nederlands grote rivieren trekt.

Den Haag heeft nog een jaar voordat een plan met doelen en maatregelen voor het nakomen van de Europese Kaderrichtlijn Water (zie inzet) aan Brussel moet worden voorgelegd. De Europese Commissie heeft de visstand aangewezen als een van de maatstaven bij het meten van de vorderingen richting schoon water. Dus moet die visstand vaak worden bemonsterd. En wie zijn daar beter voor geschikt dan de enkele honderden overgebleven beroepsvissers op binnenwateren? Ruim veertig vissers verzamelden zich daarom deze en vorige week aan de plas Madestein en de Wennetjessloot in Den Haag. De Combinatie van Beroepsvissers organiseerde er praktijkdagen voor de cursus Vissen volgens de Kaderrichtlijn Water.

Op de Wennetjessloot haalt Wilkin den Boer onder toeziend oog van collega’s; met gelaten waarop de elementen hun sporen hebben nagelaten, langzaam de zegen binnen. Dit grote net beslaat een oppervlakte van één hectare. Naarmate Den Boer en zijn compaan Gerrit Alleblas de zegen met een elektromotor verder binnendraaien, wordt de vis meer richting de fuik gedreven die aan het einde van het net is bevestigd.

Aan de oever constateert visserijbioloog Ton van der Spiegel dat de Wennetjessloot nog ver verwijderd is van de kwaliteitseisen die Europa stelt. „Het water is door algengroei erg troebel. Dat komt door mestlozingen van boeren en tuinders. Volgens de Kaderrichtlijn moeten deze verstoringen zoveel mogelijk worden opgeheven”, aldus Van der Spiegel.

Het voordeel van troebel water is dat het vissen veel voedsel biedt. De verwachting is mede daarom dat Den Boer en Alleblas honderden kilo’s vis boven water halen. Van der Spiegel: „We treffen soms visdichtheden aan van 800 kilo per hectare. De kaderrichtlijn streeft naar 300 kilo.” Helder water betekent minder vis, maar door extra plantengroei ook een gevarieerde visstand. De binnenwateren worden nu beheerst door een beperkt aantal soorten als brasem en karper, terwijl plantminnende soorten als snoek en zeelt amper te vinden zijn.

Van de 150.000 hectare Nederlands binnenwater moet 70 procent straks om de zes jaar worden bemonsterd. Gegevens over visbestanden, plantengroei en waterinsecten moeten aan Brussel worden gerapporteerd. Als onvoldoende wordt gemotiveerd waarom niet aan de eisen wordt voldaan, kan Brussel boetes uitdelen.

Aan de Wennetjessloot worden de vangstverwachtingen naar beneden bijgesteld naarmate het net zich verder samentrekt. „Je had daar al lang beweging moeten zien”, aldus een visser. „Dat wordt maximaal vijftig kilo”, zegt een ander. Die schatting klopt aardig. Het enige voordeel van de schamele vangst is volgens Frans Boerdijk, visser uit Noord-Holland, dat hij en zijn koukleumende collega’s snel klaar zijn met de ‘vangstverwerking’. Want zo wil Brussel het zien. Alle vissen worden gemeten en gewogen, alvorens te worden teruggezet. De resultaten worden verwerkt met een speciaal ontwikkeld computerprogramma. De visser levert de digitale bestanden aan bij het waterschap, dat weer rapporteert aan de Commissie.

De vissers hopen bij de waterschappen met hun behaalde keurmerk straks opdrachten voor bemonstering binnen te slepen. Bovendien kunnen ze worden ingeschakeld om de samenstelling van een visbestand te wijzigen. „Actief biologisch beheer gebeurt als de randvoorwaarden zijn aangepast, bijvoorbeeld door het aantal mestlozingen terug te dringen, maar de visstand amper verandert”, zegt Diederik van der Molen, coördinator stroomgebieden bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat. In dat geval worden de beroepsvissers opgetrommeld om bijvoorbeeld de brasembestanden flink uit te dunnen. Wat er met die vangst gebeurt is voorlopig onduidelijk. „Daarover zegt de richtlijn niets”, aldus Paul Latour van Rijkswaterstaat. De opties zijn volgens de Combinatie van Beroepsvissers als volgt: export voor consumptie in Oost-Europa, verkoop aan visvijvers in België, of verwerking in kattenvoer.