Een particuliere verpleegster voor 1,20 euro per uur

Slowaakse en Roemeense vrouwen werken onder mensonterende omstandigheden in Oostenrijk – legaal. Bemiddelingskantoren willen nog verder gaan.

Een loon van minder dan 1,20 euro per uur, een werkweek van 64 uur, dagelijks tien uur ter plekke op afroep inzetbaar zijn, slechts drie uur gegarandeerde slaap op de bank in de woonkamer: wat klinkt als een griezelverhaal over Filippijnse kindermeisjes in Abu Dhabi is in Oostenrijk gewoon de wet. En niemand protesteert. Noch de zorginstellingen, noch de sociaal-democratische minister van Sociale Zaken, noch de vakbonden maken bezwaar. Verzet komt slechts van de bemiddelingskantoren, die zelfs de verzekeringsplicht voor hun ‘dienstmeisjes’ al te ver gaat.

Wat de grote coalitie van SPÖ (sociaal-democraten) en ÖVP (christen-democraten) de afgelopen zomer heeft bedacht en nu wil invoeren, is „zonder meer in strijd met de EU-regels” en leidt tot „discriminatie van buitenlanders”, betoogt de Weense arbeidsrechtdeskundige Wolfgang Mazal. Maar hij is een roepende in de woestijn, want waar niet geklaagd wordt, wordt ook niet rechtgesproken. En de slachtoffers van de wet, merendeels vrouwen uit Slowakije en ook steeds vaker uit Roemenië, accepteren de baantjes nog steeds met open armen.

Over een jaar of vijf, zes zou dat weleens kunnen veranderen, zegt Mazal, „als ze merken dat ze pensioenjaren tekortkomen”. Maar dan zullen de vrouwen bij Oostenrijkse rechtbanken nul op het rekest krijgen. De coalitie heeft op 30 januari ieder recht op terugvordering uitgesloten. De tweederde meerderheid van de coalitie in het parlement zorgt ervoor dat het constitutionele hof dat besluit niet kan terugdraaien.

Het kwam pas tijdens de verkiezingscampagne van 2006 in de openbaarheid: naar schatting 40.000 verpleegsters uit naburige EU-lidstaten werken illegaal in Oostenrijk, velen al langer dan vijftien jaar. De vrouwen worden ingezet door bemiddelingskantoren met fraaie namen als St. Elisabeth of Pflegende Hände. Officieel mogen deze vrouwen alleen in de huishouding helpen, maar in werkelijkheid voeren ze allerlei verpleegtaken uit, van het verschonen van bedden tot het draineren van wonden – bij St. Elisabeth worden ze dan ook ‘zusters’ genoemd. Per huishouding wisselen twee verpleegsters elkaar af. Het gebruikelijke stramien is dat een van hen twee weken lang dag en nacht aanwezig is en dan met een minibusje van het bemiddelingskantoor weer wordt teruggebracht naar Slowakije. De rest van de maand wordt zij dan afgelost door haar collega.

Na de verkiezingen is dit model gelegaliseerd. Een nieuwe wet geeft de vrouwen de status van ‘zelfstandige’ en verlangt van hen dat ze een werkvergunning aanvragen. Als deze wet niet had bestaan, zegt arbeidsrechtdeskundige Mazal, zouden de vrouwen ‘pseudo-zelfstandig’ zijn geweest. Dan hadden de bemiddelingskantoren hen in dienst moeten nemen. Maar tegelijkertijd verspert Oostenrijk de vrouwen de legale toegang tot de arbeidsmarkt als werknemer. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat een Slowaakse daadwerkelijk verplicht is voor een hongerloontje te werken.

De wet stelt geen minimumloon vast. Er wordt een bedrag van 50 euro genoemd voor een werkdag van 21 uur, waarvan er 11 continu gewerkt moeten worden en 10 ‘ter plekke’ moeten worden doorgebracht om op afroep beschikbaar te zijn. Maar volgens minister van Sociale Zaken Erwin Buchinger (SPÖ) is dat slechts „een richtsnoer”. „Normaal wordt 35 euro per dag betaald”, zegt Klaus Katzianka, die in het stadje Leoben een bemiddelingskantoor met de naam Europflege heeft.

Op afroep inzetbaar zijn telt als arbeidstijd. Daarmee komt 35 euro per dag neer op een uurloon van 1,67 euro. Bij 50 euro per dag is dat 2,38 euro, plus kost en inwoning. „Maar velen betalen slechts 25 euro”, zegt Katzianka, ofwel minder dan 1,20 euro per uur. „Maar dat kan alleen bij vrouwen uit Roemenië of Oekraïne.” Wie minder dan 48 uur per week wil werken, valt niet onder de wet – en mag niet naar Oostenrijk komen.

Hoewel de regelgeving erg voordelig is voor de werkgevers, leidde de legalisering tot veel misbaar in de sector. De nieuwe wet bepaalt immers dat de buitenlandse vrouwen verzekerd moeten zijn tegen ziektekosten en arbeidsongeschiktheid. Hoewel de staat de premies voorschiet, blijft er een hoop bureaucratische rompslomp over.

Ook Katzianka vindt dat overbodig: de verpleegsters zijn tenslotte ook al in hun land van herkomst verzekerd. De ondernemer, zelf zal de ongeveer driehonderd vrouwen die hij in bemiddeling heeft dan ook niet aanmelden. Het aantal aanmeldingen is dan ook niet om over naar huis te schrijven: slechts 1.300 buitenlandse verpleegsters hebben tot afgelopen week, een half jaar na het van kracht worden van de wet, een werkvergunning aangevraagd.

Zo is geleidelijk aan het model, dat eerst nog als tijdelijke oplossing voor de ‘nood in de zorg’ werd verkocht, de geldende norm geworden. De sector was tot voor kort het domein van half legale agentschappen, zoals de Stichting voor de Zuidboheemse Volksgezondheid in het Tsjechische Budweis. Eigenares Marie Unterluggauerova heeft er een aardig vermogen aan overgehouden.

Maar nu zijn de Oostenrijkse hulporganisaties er met het idee vandoor gegaan. Zowel de ‘rode’ Volkshulp, als het Oostenrijkse Hulpwerk en het katholieke Caritas hebben zich ontfermd over de bemiddeling van ‘zelfstandige’ verpleegsters. Zij betalen meestal een uurloon van 2,15 euro. Er is geen andere mogelijkheid, beweert Beatrix Plochinger van de Nederoostenrijkse Volkshulp: „Onze klanten willen dit nu eenmaal.” Ook Harald Blümel van het Weense Hulpwerk zegt geen last te hebben van een slecht geweten. „Ten slotte neemt niemand van deze mensen een Oostenrijker een arbeidsplaats af.”

Zelfs de vakbond ligt er niet wakker van. Die had graag een minimumloon gezien voor de verpleegsters. „Maar het is nu allemaal wet geworden, dus wat kunnen we er nog aan doen”, zegt vakbondsleider Willi Steinkellner. Maar als leden accepteert de vakbond de Slowaakse verpleegsters niet: „Ze zijn immers zelfstandig!”

Vertaling: Menno Grootveld