De paardekastanjebloedingsziekte

Over bloedingsziektes bij paardekastanje. Aflevering in een serie over bekendeen onbekende bomen in Nederland.

Zo oud als de iepziekte is, zo nieuw is de bloedingsziekte bij paardekastanjes. Het betreft een bastinfectie die wordt veroorzaakt door een bacterie. De boom probeert deze ziekteverwekker uit te drijven en begint een gomachtig, inderdaad op bloed gelijkende substantie te lekken.

„Eind jaren ’90”, zegt Jitse Kopinga, „heb ik het zelf voor het eerste gezien, in Gorkum. Toen konden we er eigenlijk niks van maken.”

Kopinga is 57, studeerde plantenziektekunde en werkt bij Alterra in Wageningen. Zijn vakgebied is aanplant en onderhoud van bomen ‘buiten bosverband’. Denk daar maar even over na.

In 2003 werd de bloedingziekte opeens massaal gemeld en inmiddels zou zeker veertig procent van de paardekastanjes zijn aangetast. De situatie verschilt van plaats tot plaats – Den Haag schijnt koploper te zijn.

Aangetaste bomen proberen de infectie inwendig met kurkachtig weefsel in te kapselen. Dat lijkt weleens te lukken. Zo niet, dan stagneert door bastafsterving alle transport in neerwaartse richting. De wortels gaan dood, de boom gaat dood, en paardekastanjes staan altijd waar mensen komen, nooit waar het geen kwaad kan, nooit ver weg in het bos. De paardekastanje komt uit Zuidoost-Europa en staat bij ons overal kunstmatig. En géén familie van de tamme kastanje!

„Bij de iepziekte”, zegt Kopinga, „is het advies kappen en gecontroleerd afvoeren. Ik weet niet of je dat in dit geval ook moet adviseren. Je jaagt beheerders op kosten, zonder garantie dat het helpt. Het lijkt erop dat de bacterie allang voor de eerste symptomen zichtbaar worden aanwezig is, en zich dus ook allang heeft kunnen verspreiden. Misschien is dit hetzelfde verhaal als met de watermerkziekte bij de wilg, ook een bacterie – niets aan te doen.”

„Dat klinkt naar veel onzekerheid”, zeg ik.

„Het punt is”, zegt hij dan weer, „dat de centrale overheid zich niet als probleemeigenaar beschouwt. En de getroffen gemeenten hebben niet de middelen, of niet de ambitie, om echt wetenschappelijk onderzoek te laten doen.”

Het heeft er wel alle schijn van dat de paardekastanje minder vatbaar is naarmate hij in een betere conditie verkeert. Dan zou het helpen om zijn groeiplaats te verbeteren door middel van beluchting en bemesting.

Natuurlijk is bij de bloedingsziekte meteen gedacht aan een verband met het verschijnen van de kastanjemineermot. Die heeft Europa in ijltempo gekoloniseerd en ons land omstreeks 1998 bereikt. Zijn rupsen vreten kastanjebladeren leeg. Het blad verdort, bij de boom lijkt vroeg in de zomer de herfst al ingetreden.

„Direct verband”, zegt Kopinga, „is er in geen geval.”

„En indirect?”

„Ook niet. Net is er weer een Italiaans onderzoek gepubliceerd waaruit blijkt dat de mineermot wel het groeiseizoen verkort, maar de vitaliteit niet werkelijk aantast.”

„En klimaatverandering?”, vraag ik. „Zie je daar verband mee?”

„Totaal niet”, zegt hij.

Los daarvan, klimaatverandering of niet, verdient het natuurlijk aanbeveling om zorg te dragen voor een zo breed mogelijke genetische variatie van het bomenbestand. Daarbij pleit Kopinga ook (in stedelijk gebied) voor het planten van bomen in clusters in plaats van de eeuwige laanvormen die het lineaire karakter van de stad alleen maar benadrukken en het verspreiden van ziektes vergemakkelijken.

„Maar ook dan”, zegt hij, „moet je rekening houden met de genetische breedte van de agressor. Hij kan inslaan als een bliksemflits, maar ook over een enorm breed front oprukken.”

„Nou ja”, zeg ik, „voor mij is de paardekastanje toch zoiets als een fazant onder de bomen.” Duidelijk: voor mij is met een fazant niet veel verloren.

„Ik kan het met droge ogen zien gebeuren”, reageert Kopinga dan. „Wetenschappelijk is het allemaal erg interessant. Maar ik vind de paardekastanje wél een mooie en karakteristieke boom.”

Koos van Zomeren