Daar gáát onze kennis

Onderzoekers moeten elke minuut verantwoorden die zij besteden aan een project waarvoor ze subsidie krijgen.

Dat kost tijd, creativiteit en ondermijnt het moreel.

Terwijl de roep om minder regelgeving steeds luider wordt, neemt de wurgende invloed van administrateurs op de wetenschap hand over hand toe. Elke bestede euro moest al worden verantwoord. En nu moet iedere onderzoeker ook elke minuut registreren die voor een project wordt ingezet. Aan elke universiteit worden momenteel mensen aangesteld die al die gegevens verzamelen. Let wel: universiteiten hebben beperkte middelen, en de tellers van de uren worden betaald met geld dat anders aan onderzoek was besteed.

Het doel van het urentellen is dat aan subsidiegevers verantwoording kan worden afgelegd over de inzet van personeel. Bij veel subsidies wordt namelijk de voorwaarde gesteld dat de universiteit evenveel mensuren op het project inzet als vanuit de subsidie worden betaald: de zogenoemde matching. Voor de matching mogen geen overuren worden ingezet. Efficiënt gebruik van tijd door twee dingen in één keer te doen, telt ook niet.

Deze regel heeft ongewenste bijeffecten. Zo kan een onderzoeksafdeling slechts een beperkt aantal subsidies binnenhalen, want als alle uren van het universitaire personeel gebruikt zijn om de gevraagde matching te leveren, is de koek op. Nieuwe projecten kunnen er dan niet meer bij. Door de krimpende omvang van de eerste geldstroom, waaruit universitair personeel wordt betaald, doet deze situatie zich steeds eerder voor. Dat is ongewenst. Met minder onderzoekers komt er minder kennis en expertise bijeen en is de kans op het ontstaan van nieuwe inzichten kleiner.

Maar er is meer. Er zijn maar weinig vaste banen beschikbaar, en voor een wetenschappelijke carrière moet je uitblinken. Je moet een natuurtalent zijn en bovendien veel tijd aan je werk besteden. Wetenschappers werken daarom veel meer dan veertig uur. Maar overuren mogen niet worden betaald, en ze tellen ook niet voor de matching. Overwerken wordt kortom niet gewaardeerd. Waarom zou je dat dan nog doen?

Voor elk onderzoeksproject moet vakliteratuur worden bijgehouden, wetenschappelijke bijeenkomsten bezocht en lezingen gegeven. Als daar slechts de helft van de tijd aan zou worden besteed, zou elke subsidiegever benadeeld zijn: alle uren die aan dergelijke taken worden besteed, zijn immers in het belang van elk project. Ze zouden daarom ten volle voor elk project moeten tellen. Als een bakker een manier vindt om twee keer zoveel brood te bakken in dezelfde tijd, berekent hij de klant toch ook niet de helft van de prijs?

Het is duidelijk dat urenschrijven de ontwikkeling van de wetenschap belemmert. Het kost formatieplaatsen, tijd, creativiteit, en ondermijnt het moreel. Dat helpt niet om meer Nobelprijzen naar Nederland te halen, en is nadelig voor de subsidiegevers. Ook wordt het beoogde doel van verantwoording van inzet niet gehaald, omdat het onmogelijk is te controleren of de opgegeven uren echt aan het project zijn besteed.

Het doel van verantwoording van inzet moet op een andere manier worden bereikt. In het normale zakelijke verkeer vergelijkt de klant het product zoals aangeboden door verschillende leveranciers, en maakt zijn keuze. Waarom gebeurt dat niet in de wetenschap? Er kan bijvoorbeeld worden afgesproken hoeveel publicaties zullen worden geleverd in wetenschappelijke tijdschriften. Men kan in een subsidiecontract afspreken of en hoe het subsidiebedrag wordt bijgesteld als de productie uiteindelijk meer of minder blijkt te zijn.

Zulke afspraken dragen bij tot kwaliteit. Groepen die efficiënt met hun tijd omgaan, meer vrije tijd op het project inzetten, en een uitgebreid netwerk van samenwerkende wetenschappers hebben, bereiken het meest. Dat is een gezonde manier van werken. Urentellen niet.

Professor Leo Beukeboom is directeur Center for Ecological and Evolutionary Studies, professor Domien Beersma is directeur Center for Behaviour and Neuroscience, beiden aan de Rijksuniversiteit Groningen.