Afscheid van een Comandante

Fidel Castro deed deze week eindelijk afstand van de macht. Maar zijn beleid blijft hij fel verdedigen. En met welke erfenis zadelt hij zijn opvolger op?

Fidel Castro (with Ignacio Ramonet): My Life. Penguin Books/Allen Lane, 626 blz. € 33,50

Brian Latell: After Fidel. Raul Castro and the Future of Cuba’s Revolution. Palgrave, 264 blz. € 11,90

Eindelijk heeft Fidel Castro dan de knoop moeten doorhakken. Nadat de 81-jarige comandante in de zomer van 2006 na een zware operatie, het de facto leiderschap over Cuba ‘tijdelijk’ overdroeg aan zijn vijf jaar jongere broer Raúl, maar zich wel van tijd tot tijd liet fotograferen om te tonen dat hij nog volop in leven is, zinspeelde hij in december vorig jaar voor het eerst op ‘met pensioen gaan’. Dat heeft hij deze week, in een brief aan de partijkrant Granma, bevestigd. De verwachting is dat de Nationale Assemblee zondag a.s. Raúl Castro zal kiezen als de nieuwe president.

Bij alle kritiek die men op Fidel Castro kan hebben (en die loopt uiteen van teleurstelling van vroegere sympathisanten tot rabiaat-revanchistische gal van zeloten die hem net zo kwaad achten als zijn voorganger Batista) moet in elk geval vermeld worden dat de Cubaanse leider een persoonlijkheidscultus altijd verre van zich heeft gehouden. Zo charismatisch en alleenheersend als hij is, en hoe stevig zijn greep op het land als langst-regerende leider ter wereld ook was, er is op Cuba geen standbeeld te vinden van el líder maximo. De revolutie wordt verheerlijkt, alsmede de nagedachtenis aan Che, maar Castro is in al zijn alomtegenwoordigheid geen te aanbidden held.

Opmerkelijk is dat Fidel in zijn brief aan Granma aankondigt dat hij blijft voortschrijven aan een boek getiteld Bespiegelingen van Kameraad Fidel. Hij heeft namelijk nooit zo’n autobiografie willen schrijven en algemeen werd aangenomen dat het door Ignacio Ramonet, redacteur van Le Monde Diplomatique, in dialoogvorm geschreven My Life als zodanig beschouwd moest worden. Dit boek kwam tot stand na ongeveer honderd uren gesprek tussen Ramonet en Castro en gezien die Engelse titel (de Spaanse titel is Biografía a dos voces) konden we het lezen als dé geautoriseerde biografie van Castro.

Hangijzers

Welnu, Castro had zich een slechtere, want kritischer biograaf kunnen wensen. Ramonet laat vanaf het begin zijn bewondering voor de ‘revolutie’ (zoals het bewind in Castro-spraak wordt genoemd) en haar leider duidelijk blijken, en hoewel hij enkele hete hangijzers niet geheel vermijdt maakt hij het zijn onderwerp zelden echt moeilijk. Dat zou ook weinig zin hebben gehad, want het is met een bijna bizarre, onmiskenbare trots dat hij vermeldt hoeveel tijd de Cubaanse leider heeft gestoken in het herschrijven van dit boek naar zijn eigen inzichten. In augustus 2006, onmiddellijk na zijn gecompliceerde medische ingreep, pakte Castro de proeven weer op om de laatste hoofdstukken te corrigeren, zodat Ramonet met tevredenheid kan concluderen: ‘Deze versie van het boek is totaal herzien, geamendeerd en afgerond door Fidel Castro.’

Ramonet geeft vanaf het begin ook zelf hoog op van de verworvenheden van de ‘revolutie’: de hoge levensverwachting, opleidingsgraad, gezondheidszorg etc., en er is allemaal niet erg veel tegenin te brengen, zeker wanneer men Cuba vergelijkt met andere Latijnsamerikaanse landen. Hij zegt in zijn voorwoord wel degelijk kritiek te hebben op het beleid ten aanzien van dissidenten, maar citeert St. Ignatius Loyola’s motto als het standpunt van de regering: ‘In een belegerd fort staat alle afvalligheid gelijk aan verraad.’ In de gesprekken zelf laat Ramonet Castro echter tamelijk ongestoord zijn beleid verdedigen en, als altijd, de dissidenten als door de VS betaalde oproerkraaiers wegzetten. In het boek zul je vergeefs de naam zoeken van Gustavo Arcos, een van de moncadistas van het eerste uur (hij nam deel aan de mislukte aanval op de Moncada-kazerne in 1953) en de eerste ambassadeur van het Castro-bewind in de Benelux. Arcos had de vermetelheid protest aan te tekenen toen de communisten binnen het regime andere opinies begonnen uit te sluiten. Hij werd teruggeroepen, gevangengezet, en sleet de laatste jaren van zijn leven als een paria in Havana, periodiek uit zijn slaap gehouden door ‘spontane’ volksdemonstraties voor zijn huis.

Of de naam van Francisco Chaviano, die op het verkeerde moment trachtte het land op een vlot te ontvluchten en daarvoor een jaar het gevang in draaide. Na zijn vrijlating vatte hij het donquichotterige plan op de belangen van andere gestrande balseros te behartigen. Hij werd op een cynische manier in de val gelokt door de geheime dienst en bracht vijftien jaar door in de gevangenis, waaruit hij pas onlangs werd vrijgelaten. Misschien bracht Ramonet deze namen wel aan de orde maar sneuvelden ze in Castro’s revisie?

Ook laat Ramonet zijn gesprekspartner opmerkelijk gemakkelijk ontsnappen als het gaat om de executie in 1989 van generaal Arnaldo Ochoa en kolonel Tony de la Guardia, volgens waarnemers een sleutelmoment in de recente geschiedenis van Cuba. Het Oostblok wankelde, de roep om vrijere meningsuiting en spreiding van macht hing ook in Cuba in de lucht, maar dit was voor Castro het moment om definitief laten weten daar niets mee te maken te willen hebben.

Alle pogingen van Ramonet kritische kanttekeningen te plaatsen stuiten op het gebruikelijke weerwerk, waar hij dan vervolgens nauwelijks kritisch op doorvraagt. Is een meerpartijen-stelsel niet wenselijk? Nee, antwoordt Castro, ‘hoe meer de Cubanen over de rest van de wereld te weten komen, hoe gelukkiger ze zijn met onze eenheid.’ Waarom zijn er geen vrije verkiezingen in Cuba? De juiste vraag, aldus Castro, zou moeten luiden ‘Hoeveel supermiljoenen moet je hebben om president van Amerika te worden?’ Waarom zitten er alleen maar partijleden in het parlement? ‘Dat bewijst alleen maar dat de meeste goede Cubanen partijleden zijn.’ Waarom geen persvrijheid? ‘Omdat we de vijand geen gevoelige informatie willen verschaffen die ze van dienst kan zijn bij hun plannen de Revolutie te vernietigen.’

Een waardeloos boek dus? Nee, dat zeker niet, ondanks genoemde bezwaren. Castro’s beschrijvingen van ontmoetingen met wereldleiders zijn vaak boeiend, evenals van de guerilla-avonturen voorafgaand aan de machtsovername. Hij is opmerkelijk open wat betreft de veranderde opinies van zijn bewind aangaande religie, racisme en de rechten van homoseksuelen.

Miami-revanchisten

Dat Castro, ondanks (en dankzij) de economische moeilijkheden tijdens de Speciale Periode (na de val van het Sovjet-blok) en de niet aflatende pogingen van Amerika hem uit de weg te ruimen op dit moment een onmiskenbare inspiratie vormt voor de antiglobalistische bewegingen die van heel Latijns-Amerika bezit nemen, stelt de speculaties over de toekomst van het Cubaanse bewind in een interessant daglicht. Naarmate hij langer leeft, ook als niet-president, sterven de meest rabiate Miami-revanchisten uit, terwijl een jongere generatie uitgeweken Cubanen pragmatischer – en onverschilliger – lijkt te denken.

Volgens de voormalige CIA-analist Brian Latell, die de gebroeders Castro voor de CIA in de jaren zestig begon te ‘tracken’ (we weten dat dat ‘tracking’ verschillende mislukte moordaanslagen inhield) zal de op sommige plekken heersende euforie over Castro’s verzwakkende gezondheid danig getemperd moeten worden. In zijn boek, dat vooral gelezen moet worden als een biografie van de jongere en minder charismatische broer, betoogt hij dat diens doctrinaire trekken – zijn bijnaam was lange tijd Raúl de Verschrikkelijke – de laatste jaren langzaam plaats hebben gemaakt voor een groter pragmatisme. Raúl is, als opperbevelhebber, voldoende populair bij het leger om van daaruit geen machtsgrepen te vrezen. Hij heeft bewondering voor het Chinese politieke en economische model en zal, volgens Latell, verlost van de overheersende aanwezigheid van zijn broer, niet bang zijn het presidentschap op termijn (en wie weet, tijdens de aanstaande Assemblee al) aan een prominente burger over te dragen. Carlos Lage gooit daarbij vooralsnog de hoogste ogen, een man die zich er terdege van bewust lijkt dat, na Fidels verdwijnen, de revolutionaire retoriek niet langer voldoende zal zijn om beleid te rechtvaardigen.