Verf is huid bij schilder Lucian Freud

Tentoonstelling Lucian Freud in Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41 Den Haag. Tot en met 8 juni, di-zo 11-17 uur. Inl.: www.gemeentemuseum.nl, 070-3381111

Daar is ie dan eindelijk, zes zalen en zeven kabinetten groot: de eerste Nederlandse overzichtstentoonstelling van Lucian Freud. Hoewel zijn schilderijen en etsen in het Haags Gemeentemuseum niet chronologisch hangen, is toch goed te volgen hoe de 85-jarige Britse schilderreus zich in de loop van zes decennia heeft ontwikkeld. Er zijn zalen met vroeg werk, dat grijs en tekenachtig is, zelfs als het geschilderd is. In de jaren zestig kruipt er langzaam kleur in de lijven en gezichten van zijn modellen. De menselijke huid is niet doods meer, maar geel, oranje, paars, blauw en groen. Bobbels en kuilen zijn door de schilder in al die kleuren aandachtig nagetrokken. Daarbij raakte hij regelmatig verdwaald in de vleeslandschappen en verloor hij perspectief en proporties uit het oog. Sommige hoofden liggen er wat uitgesmeerd bij, alsof er kleine aardverschuivingen hebben plaatsgevonden. Armen zijn te lang en handen te groot.

Uit onvoltooide schilderijen en atelierfoto’s blijkt dat Freud steeds weer een stuk aan een figuur vast breit. Ieder nieuw fragment werkt hij meteen tamelijk ver uit, terwijl het doek verder nog grotendeels wit is. Het is een klassieke fout waar iedere academiestudent vroeger duchtig voor werd gewaarschuwd, maar Freud blijft hem maken, keer op keer. Hij komt er nog mee weg ook. Zijn figuren zijn zo onontkoombaar, zo dichtbij en aanwezig, zo gretig bekeken en vastgelegd, dat je al gauw – met de schilder – door de vertekeningen heen kijkt. Je vergeeft hem graag dat de dikke, korrelige verflagen soms bijna reliëfs zijn geworden. Van Freud hoeft de verf niet op huid te lijken; verf moet zelf huid zijn. Alleen in zijn meest recente werk wordt het impasto wel eens te gortig. Dan gaan de schaduwen in de verflaag het gezicht van de geportretteerde in de weg zitten en is de verf geen huid meer, maar een huidaandoening.

Toch dwingen ook de latere schilderijen vooral bewondering af. Een regelrecht waagstuk is Leigh under the skylight (1994), een drie meter hoog schilderij van een dikke, kale man, ten voeten uit en van onderaf gezien. Zijn vlezige knieschijven bevinden zich ongeveer op ooghoogte.

Uit het Haagse overzicht blijkt eens te meer dat het Scheringa Museum in Spanbroek met Naked portrait in a red chair (1999) twee jaar geleden een heel goede late Freud heeft gekocht. In een lekker geschilderde leren stoel zit een lijf waar je overheen kunt klimmen: van de voet naar de opgetrokken knie, met een sprongetje naar de hand op de buik en dan omhoog naar de borsten en via de hals naar een gezicht zonder storende verfkorsten. En het is ook nog eens echt een portret van een oudere Engelse vrouw. In gedachten verzonken staart zij het beeld uit, zoals de meeste van Freuds modellen, want er moet vaak en langdurig voor hem worden geposeerd.

Het enige model met een oplettende blik is die andere beroemde en inmiddels ook al bejaarde Engelse schilder, David Hockney. Hij poseerde in 2002 voor zijn vriend en vertelt daarover in een film van Jake Auerbach, die bij de tentoonstelling wordt vertoond en een stuk informatiever is dan de catalogus. Hockney doet voor hoe Freud steeds dichterbij kwam, en nog dichterbij, met toegeknepen ogen, om naar de kleurverschillen in een wang te turen. „Hij heeft een energie die op je overslaat”, aldus Hockney. „Ik val hier niet in slaap.” In Freuds schilderij heeft hij een wat verzakter, Gerrit Komrij-achtiger hoofd dan in de film, maar te midden van al die plooien kijken twee oude pretogen levendig over een bril heen. De ene aandachtige kijker observeert de andere.