Nederland op een ‘fatale weg’

Over Europeaan in hart en nieren Max Kohnstamm is een biografie geschreven. „Ik ben niet geschokt dat er geen enthousiasme is, maar dit is een fatale weg.”

Bevlogenheid, betrokkenheid, bezieling – waar kom je ze nog tegen als het over Europa gaat? Bij de 93-jarige Max Kohnstamm, bijvoorbeeld, Europeaan in hart en nieren.

„Niemand staat ’s morgens op met de gedachte: ‘Oh wat fijn dat we de rechtsstaat hebben!’”, zegt Kohnstamm. Toch beschouwt hij dat als een van de grootste verworvenheden in Europa.

De voormalige diplomaat en ambtenaar zei dit maandag in De Balie in Amsterdam bij de presentatie van de biografie Max Kohnstamm. Leven en werk van een Europeaan (*) van de hand van Anjo Harryvan en Jan van der Harst van de Rijksuniversiteit Groningen.

„De Europese Unie is voor mij altijd veel meer geweest dan een economische unie. Het is een beschavingsproject met als inzet: de rechtsstaat, solidariteit en gelijkwaardigheid”, aldus Kohnstamm.

Dat project valt in zijn visie uit te breiden over de wereld, mits er bereidheid bestaat nationale macht af te staan en soevereiniteit over te dragen aan gemeenschappelijke instellingen.

Beide – machtsafstand en soevereiniteitsoverdracht – acht Kohnstamm onontbeerlijk voor wie de hedendaagse problemen van de nationale staten in Europa – economie, energie, klimaat, veiligheid – wil oplossen.

Aangemoedigd door moderator Michaël Zeeman nam Kohnstamm de gelegenheid te baat te ijveren voor Europese eenwording, als proces waarin niet zozeer de macht maar veeleer het recht de onderlinge betrekkingen bepaalt.

Het Nederlandse ‘nee’ in juni 2005 tegen de Europese Grondwet was „geen incident, maar een symptoom”, zei Kohnstamm. Europa was door Nederland altijd vooral als economisch project beschouwd. Hij ziet het, in navolging van mentor en latere vriend Jean Monnet, ook als een „wereldvredesproject”. „Dat is in Nederland weinig ingezien.”

Sinds Johan Willem Beyen, de minister van Buitenlandse Zaken die aan de wieg van het eerste EEG-verdrag (1957) stond, is er door de Nederlandse politieke elite „niet meer met enige warmte over Europa gesproken”, meende Kohnstamm.

Maar hier moet zijn formidabele geheugen hem toch in de steek hebben gelaten. Want wie, bijvoorbeeld, de aanloop naar wat later ‘Zwarte Maandag’ (30 september 1991) is genoemd in herinnering roept, ziet Nederland met veel verve de federale trom roeren.

Van het Europabeleid van de kabinetten-Balkenende had Kohnstamm geen hoge pet op, wat geen van de vele aanwezigen verraste. „De Nederlandse regering heeft op Europees gebied geen gedachte, of het is de gedachte: ‘We moeten niets afstaan’. Ik ben niet geschokt dat er geen enthousiasme is, maar dit is een fatale weg.”

Wat zijn grootste ontgoocheling was, vroeg Zeeman. „Het veto van De Gaulle tegen Engeland”, zei Kohnstamm. En even droomde hij hardop hoe anders het met Europa zou zijn gegaan als de Franse president die blokkade in 1963 níet had opgeworpen en de Britten niet tot 1973 hadden hoeven wachten, toen de omstandigheden – de eerste oliecrisis lag op de loer – zo veel ongunstiger waren.

En de grootste fout? „Die was helaas onvermijdelijk”, zei Kohnstamm, doelend op de verdieping en de uitbreiding. De ‘oude’ EU-landen hadden afgesproken hun samenwerking eerst te verdiepen en de EU pas daarna uit te breiden. Maar die volgorde werd omgedraaid in de turbulentie die de val van de Muur teweegbracht. „Met de gevolgen van die omdraaiing kampen we nog steeds.”

Dus Turkije maar niet bij de EU? „Turkije is voor mijn gevoel een zaak die gedaan móet worden, omdat we dat al veertig jaar beloofd hebben, en omdat het door de islamitische wereld als een grove belediging uitgelegd zal worden als je het niet doet.”

Anjo G. Harryvan en Jan van der Harst: Max Kohnstamm. Leven en werk van een Europeaan. (Spectrum, 247 blz., € 27,50)