Gerst-DNA maakt appels minder schurftig

Een proef met genetisch veranderde appelbomen is afgerond, ondanks vernielingen. Maar de appel komt niet in de winkel.

Slootje overspringen, met je zaag tussen het prikkeldraad doorkruipen en dan de afrastering voor hazen doorknippen. Het is geen kunst om bij het proefveldje met genetisch gemanipuleerde appelboompjes in Wageningen te komen. „Na de vernielingen hebben mensen wel hoge hekken aangeraden, met camera’s of honden”, zegt onderzoeker Frans Krens, terwijl hij de poort openmaakt. „Maar zulke maatregelen wil ik helemaal niet. Ik wil uitstralen dat er niks mis is met deze appelbomen.”

Vier jaar hebben Wageningse onderzoekers 420 appelboompjes in het veld getest op resistentie tegen appelschurft (Venturia inaequalis), een veel voorkomende schimmelziekte die zowel de bladeren als de vruchten aantast. Van de schurftgevoelige Gala- en Elstarbomen hadden er 280 een gen uit gerst gekregen. Laboratoriumstudies hadden al uitgewezen dat dit gen wellicht een schimmelremmend gersteiwit zou opleveren (hordothionine).

En inderdaad, zo maakten de Wageningers vorige week bekend: niet alleen in de kassen, ook in het veld blijkt de techniek te werken. Dat wil zeggen: bij ongeveer tweederde van de bomen met het gerstgen hadden de bladeren afgelopen vier jaar tot zestig procent minder schurft dan die van de controlebomen zonder het gerstgen. Het is de eerste geslaagde, meerjarige veldproef met gentech-bomen in Nederland, en een van de eerste met fruitbomen in de wereld.

De boompjes zien er gezond uit: klein, maar stevig en vol takken met knoppen. Ze hebben de vernielingen overleefd. „In april 2004 hadden de actievoerders de boompjes gewoon afgeknakt’’, vertelt Krens. „Gelukkig liepen de overgebleven ogen op de stam diezelfde lente nog uit.”

In november 2004 dachten de Wageningers dat de actievoerders opnieuw hadden toegeslagen, maar die vernielingen bleken later door hazen te zijn veroorzaakt. In juli 2005 was het echter weer raak. De vandalen hadden met een handzaag zo’n honderd boompjes vernield. Het instituut Plant Research International heeft de omgezaagde boompjes kunnen vervangen. En dat is nog te zien: die boompjes zijn een stuk kleiner.

Er zijn helaas geen appels geweest om te proeven. Om alle kans op uitkruising van het gen uit te sluiten, mochten de veredelaars de bomen niet laten bloeien. De boompjes worden een dezer dagen gerooid en vervolgproeven komen er niet. Want eigenlijk is deze gentechniek alweer achterhaald. Behalve het gerstgen zit er namelijk, louter om de techniek te laten werken, ook een bacteriegen in (een zogeheten antibioticumresistentie-gen) en een stukje plantenvirus-DNA (een promotor). Antibioticumresistentie-genen zijn vanaf volgend jaar in de Europese Unie verboden en de veredelaars gaan ervan uit dat consumenten liever geen plantenvirus-DNA in hun appels hebben.

Krens hoopt over twee jaar een nieuwe veldproef te starten. Deze bomen hebben alleen nog resistentiegenen van wilde of resistente appelrassen gekregen, en daarnaast nog wat appel-DNA, zoals een promotor, om het resistentiegen te laten werken. PRI, dat met overheidsgeld deze appels ontwikkelt, samen met Inova Fruit, hoopt dat consumenten zulke ‘cisgene’ appels (appels met DNA van andere appels) beter accepteert dan ‘transgene’ appels (met DNA van bacteriën, gerst of plantenvirussen). Krens zou eigenlijk het ingebrachte appel-DNA willen combineren met het nu geteste gerst-gen. „Het wordt dan nog moeilijker voor de schimmel om de resistentie te doorbreken.” Wetenschappelijk is er geen reden om te kiezen voor cisgene appels. Appels met DNA van andere appels zijn niet per definitie veiliger dan appels met bacterie, of gerst-DNA.

De veredelaar vindt achteraf dat de acties eigenlijk niet eens zo slecht hebben uitgepakt. Daardoor had hij vaak de gelegenheid om aan de pers te vertellen dat je genetische modificatie niet bij voorbaat moet afwijzen, omdat de techniek kan bijdragen aan een duurzamere landbouw. De Nederlandse appeltelers zouden heel blij zijn geweest met deze resistentere appels, weet hij, omdat ze minder chemicaliën hoeven te spuiten.