Een jonge Young

Honderdveertig euro moest je in Amsterdam voor Neil Young betalen, en dat vond ik toch wel zo’n honderd euro te veel voor een ouwe rocker die alweer bijna veertig jaar geleden zijn beste werk maakte.

Er waren veel grijze hoofden in de RAI, las ik. Zo word je ook als popheld uit de jaren zestig onvermijdelijk de Johan Heesters van je generatie, en zing je oude liedjes voor oude mensen die al bijna voorbij zijn gegaan.

Ik vroeg me af of onder de aanwezigen in de RAI ook de jongen was die Neil Young zo ijverig probeerde te imiteren. Die jongen liep overigens al tegen de dertig, toen ik hem voor het eerst zag optreden. Het was op een bijeenkomst van een linkse politieke partij.

De kern van de bijeenkomst was een interview met een plaatselijke, politieke coryfee. Om de voorspelbare, ondraaglijke saaiheid van de avond te verlichten, hadden de organisatoren een veelbelovende, lokale artiest verzocht enkele muzikale intermezzi te verzorgen.

De jongen besteeg met zijn gitaar het podium en stelde zich aan ons voor. Hij was een van de weinige jeugdige fans van Neil Young, vertelde hij, en hij maakte zelf Nederlandstalige liedjes „in het muzikale idioom” van Young.

Hij stemde zijn gitaar en begon te zingen.

Al na de eerste gezongen regels voelde ik om mijn hart een diepe beklemming ontstaan, als van een ijzige hand die nooit meer zou loslaten. Het liedje heette Op weg naar Antwerpen, en het ging erover dat hij ooit een lift had gekregen van een mooie, jonge vrouw die voortdurend tegen hem had geglimlacht, maar die hij desondanks geen oneerbare voorstellen had durven doen. Daarop had ze hem, in Antwerpen aangekomen, gewoon vriendelijk vaarwel gezegd. Ja, wat moest ze anders?

Nu maakt het eigenlijk niet zo heel veel uit waar liedjes precies over gaan. Als ze maar een goede melodie hebben en een sterk refrein. Geen van beide was hier echter het geval.

Bovendien kon de jongen niet zingen. Neil Young is ook nooit een Pavarotti geweest, maar zijn stem had iets kwijnends dat zijn beste liedjes juist zo aangrijpend kon maken. (Mijn dochters, ik moet hier mijn wraak nemen, hebben hem overigens altijd ‘nogal een zeikerd’ gevonden.) Deze jongen zong óf te hoog óf te laag, en zijn liedje bezat zelfs niet het begin van een melodie.

Halverwege de avond, we waren er al bijna in geslaagd de herinnering aan de jongen te verdringen, stond hij weer voor onze neus. Hij begon nu een liedje te zingen „van Neil zelf”. Het was I believe in you, een van de mooiste liedjes die ik ken, waarin Young huiverig tegen een teruggekeerde geliefde zegt: Now that you made yourself love me/ Do you think I can change it in a day?/ How can I place you above me?/ Am I lying to you when I say/ That I believe in you?/ I believe in you.

Er gebeurde iets eigenaardigs. Hoe erbarmelijk de jongen het ook zong, het bleef een prachtig liedje, sterker nog, het leek wel of het nóg ontroerender werd, misschien wel omdat er een soort medelijden ontstond met dit mishandelde liedje.

Mooier kon Neil Young niet klinken, en we hoefden er niet eens honderdveertig euro voor neer te tellen.