De kunstenaar wil graag lijden

Van hier tot Tokio volgt Nederlandse kunstenaars die elders wonen en werken.

In het buitenland merken zij hoe luxe het leven van een kunstenaar in Nederland is.

Nog geen half jaar na de moord op Theo van Gogh pakte de Nederlands-Turkse fotograaf Ahmet Polat van de ene op de andere dag zijn biezen. De dialoog tussen allochtonen en autochtonen was wat hem betrof voorbij. Ahmet, zoon van een Turkse vader en een Nederlandse moeder, voelde zich in het verharde Nederlandse klimaat niet meer welkom. Hij laadde zijn kofferbak vol en reed naar Istanbul. Zijn vrienden verklaarden hem voor gek. Maar drieënhalf jaar later heeft hij nog geen moment spijt gehad.

Polat is één van acht kunstenaars die worden geportretteerd in Van hier Tot Tokio, het nieuwe reis- en kunstprogramma van de NPS dat vanaf zondag wordt uitgezonden. Presentatrice Hadassah de Boer bezoekt Nederlandse kunstenaars in Istanbul, Berlijn, Peking en Londen.

Het programma laat de woon-, werk- en uitgaanswereld van Nederlandse kunstenaars in het buitenland zien. De Boer trekt vijf dagen op met de kunstenaars in hun nieuwe habitat. Reizen hoort bij de vorming van de kunstenaar en is essentieel om de blik te verruimen en nieuwe inspiratie op te doen, aldus de programmamakers. „Mensen worden geraakt door een plek”, zegt De Boer. „Ronald de Bloeme wilde bijvoorbeeld naar Berlijn vanwege de schilderstraditie en de ‘denkcultuur’. In Nederland, zegt hij, praat men over kunst in termen van mooi of leuk. In Berlijn is het discours een stuk genuanceerder. Zo heeft hij veel over zichzelf geleerd. Als je doorvraagt spelen trouwens ook dingen als ruimte en een goedkoper leven een belangrijke rol.”

In een geglobaliseerde wereld is de drang om aan het Hollandse kunstklimaat te ontsnappen alleen maar groter geworden, blijkt uit de serie. De Boer: „Tegelijkertijd is de wereld nu zo klein dat niet alle banden met het thuisfront worden verbroken. Zo geeft fotograaf Ruben Lundgren vanuit Peking via Skype les aan studenten van de Nederlandse academie.”

De Boer vond Istanbul tot nog toe de ‘heftigste stad’. „Dat komt door de taal en de hectiek. Mensen begrijpen bijvoorbeeld je body language niet.” Ook staat de Turkse kunstwereld nog maar in de kinderschoenen, zegt De Boer. „Als je een galerie binnenloopt denk je: ‘kinderachtig werk’. Een museum voor moderne kunst werd pas drie jaar geleden geopend.”

Een waterscheiding tussen commercie en kunst zoals in Nederland bestaat in Turkije niet. Fotograaf Ahmet Polat (30) is in Nederland vooral bekend als kunst- en documentair fotograaf, maar zag zich bij aankomst in Istanbul genoodzaakt ook commerciële opdrachten aan te nemen. ‘Bijverdienen’ noemt het programma dat. Hij zocht aansluiting bij een commerciële fotostudio. Daarnaast werkt hij aan een boek en geeft hij les aan de kunstacademie in Eindhoven. De Boer: „Als hij in Nederland was gebleven, was hij nooit zo productief geweest, is zijn stellige overtuiging. "

Ontwerper Bas van Beek woont ook in Istanbul. Hij neemt deel aan het programma Buitenland Ateliers van het Fonds BKVB (zie kader) en ontvangt een beurs van 2.000 euro per maand, plus een vergoeding voor reis- en materiaalkosten. Vergeleken met het gemiddelde Turkse salaris van 300 euro per maand een bijzonder luxe positie, erkent hij. Van Beek vond aansluiting bij ontwerperscollectief :Mentalklinik in Istanbul.

Ook Van Beek wil langer in Istanbul blijven. Al was het maar vanwege de zinderende gay scene, „de hipste tussen Praag en Kaapstad”. Van Beek citeert veelvuldig Nederlandse collega-ontwerpers, maar doet hun werk bij een bezoek aan een luxe winkelcentrum af als rotzooi. „Dat soort roem jaag ik niet na”, zegt hij.

Beide kunstenaars prijzen het subsidiesysteem in Nederland. Maar, zeggen ze, je moet er van loskomen, want anders ontwikkel je je niet. Dat komt Hadassah de Boer vaker tegen. „Wonen in het buitenland is heel verfrissend. Kunstenaars leren dat ze in Nederland wel erg verwend zijn door het systeem van subsidies. Terwijl er in Nederland altijd over wordt geklaagd. Dat houdt daar wel op! Ze zien er opeens wel de luxe van.”