Wat je wel of niet mag zeggen

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waar ligt de grens van vrije meningsuiting?

Mag je een politicus uitmaken voor ‘extremist’? Of de koningin voor ‘hoer’? Mag je een religie ‘achterlijk’ noemen? En de aanhangers ervan ‘geitenneukers’? Mag je oproepen tot een verbod van een heilig boek? Of dat boek beschimpen in een film? En mag je homoseksualiteit een ‘ziekte’ noemen? Of andersdenkenden ‘afvallige varkens’?

Geen enkele vrijheid is de afgelopen jaren zo vaak ter discussie gesteld als de vrijheid van meningsuiting. Toch lijkt de vraag waarom het allemaal draait nog steeds niet beantwoord. Wat mag je nu zeggen en wat niet? Of formeler uitgedrukt: heeft de vrijheid van meningsuiting grenzen, en zo ja, waar liggen die dan?

Die vraag is zo complex dat een eenduidig antwoord erop geven onmogelijk lijkt. Kúnnen de grenzen van het vrije woord eigenlijk wel ‘objectief’ vastgesteld worden? Nadere bestudering van de aard van vrije meningsuiting leert dat die vraag eigenlijk het antwoord verraadt.

Allereerst moet worden opgemerkt dat ieder soort vrijheid noodzakelijkerwijs grenzen veronderstelt. Zonder grenzen – dit mag wel en dit mag niet – is er geen sprake van vrijheid meer. Grenzeloze vrijheid is namelijk doelloos: het dient nergens toe. Zo neemt bijvoorbeeld keuzevrijheid toe naarmate het aantal keuzes toeneemt, maar is de keuzevrijheid verdwenen zodra het aantal keuzemogelijkheden oneindig is. Er is dan namelijk geen (waarneembaar) verschil tussen de keuzes, en dus geen reden meer om het ene boven het andere te verkiezen.

Zo geldt ook voor vrijheid van meningsuiting dat deze vrijheid ‘niet bestaat’ als alles gezegd mag worden. Want, zoals de Amerikaanse filosoof Stanley Fish (1938) opmerkt in zijn boek There is no such thing as free speech (1994): „Zonder restrictie, zonder een ingebouwd begrip over wat betekenisloos of verkeerd is om te zeggen, is er geen spraak mogelijk en geen reden om te spreken.” Daarmee bedoelt Fish: je mening kenbaar maken heeft alleen zin als je er iets mee beoogt; als de expressie een bepaald doel dient. Zou alles gezegd mogen worden, dan zou dat betekenen dat ieder doel even gerechtvaardigd is om na te streven, en dat is onmogelijk. Want, het hébben van een doel betekent per definitie dat je een ander (tegengesteld) doel afwijst.

Daarom, stelt Fish, vereist meningsvrijheid grenzen op grond van „een conceptie van het goede” – een idee van wat ‘goed’ is (nastrevenswaardig) en ‘kwaad’ (afkeurenswaardig). Zonder zo’n idee zou het vrije woord niets anders zijn dan het recht „om geluid te maken”, zegt Fish. En dat willen we niet, want dan zouden uitingen betekenisloos worden en spreken zinloos zijn.

Maar nu komt het grote probleem: wat is ‘goed’ en ‘kwaad’? Daarover heeft nog nooit enige consensus bestaan. Een „conceptie” van het goede betekent nog geen definitie van het goede. Dat iemand een bepaald idee heeft over wat goed is en wat niet, maakt nog niet dat zijn idee algemene geldigheid bezit. De grenzen van vrijheid – en dus ook van meningsvrijheid – liggen daarom voor ieder mens ergens anders, afhankelijk van zijn wereldbeeld. En zolang een allesomvattende consensus ontbreekt, is het definitief vaststellen van die grenzen dus ook onmogelijk – want niemand heeft de waarheid over ‘goed’ en ‘kwaad’ in pacht.

Een filosofisch uitzichtloze situatie dus. Maar juist dat uitzichtloze biedt een onverwacht aanknopingspunt. Want, dat een definitie van ‘goed’ en ‘kwaad’ niet voorhanden is, is precies de reden waarom we vrijheid van meningsuiting hebben. De core rationale van meningsvrijheid is immers: het waarborgen van een vrij en open debat over ‘goed’ en ‘kwaad’. Het doel dáárvan is niet om uiteindelijk vast te stellen wat de ware aard van ‘goed’ en ‘kwaad’ werkelijk is. Integendeel, meningsvrijheid dient er, als principe, juist toe nooit tot die vaststelling te komen. Daarom heet het meningsvrijheid: iedereen mag zijn persoonlijke ‘idee van goed en kwaad’ uiten, omdat niemand de definitie ervan in pacht heeft. Het zijn meningen, geen waarheden.

De essentie van vrije meningsuiting is dus eigenlijk dat ze een ‘absolute’ morele waarheid principieel opschort. Dat maakt van meningsvrijheid een onmogelijke vrijheid: ze vereist immers grenzen, gebaseerd op een idee van goed en kwaad, maar ze verwerpt zelf, als principe, de vaststelling van dat idee en dus van haar eigen grenzen. Immers, zou de mens wél een morele waarheid tot zijn beschikking hebben, dan zou men ‘goed’ en ‘kwaad’ niet langer hoeven bediscussiëren en heeft men geen meningsvrijheid meer nodig.

De constatering van Stanley Fish dat een grenzeloze meningsvrijheid „niet bestaat”, omdat ze doelloos is, klopt dus wel, maar dat is precies wat vrijheid van meningsuiting placht te zijn: een vrijheid die ‘goed’ en ‘kwaad’ ter discussie stelt en daarmee haar eigen ‘verwezenlijking’ oneindig uitstelt. Een paradox dus: we bediscussiëren ‘goed’ en ‘kwaad’ zonder ooit tot een conclusie te (mogen) komen.

Fish komt met een pragmatische oplossing voor deze tegenstrijdigheid. Hij vindt dat de grenzen op een „anti-principiële” manier moeten worden vastgesteld door „iedere situatie afzonderlijk” op zijn merites te beoordelen. Dat is echter weinig bevredigend. Het betekent immers dat de grenzen van het vrije woord bepaald worden door de toevallige opvattingen van diegene die de grenzen stelt. Dat zag men bijvoorbeeld bij de Wilders-demonstratie. Het Openbaar Ministerie vond de kwalificatie ‘extremist’ te ver gaan. Maar ja, dat vonden de betogers natuurlijk niet. En wie gelijk heeft, staat juist ter discussie.

De conclusie die ik uit de paradox heb getrokken, is dat meningsvrijheid een absolute vrijheid is. Uit het feit dat meningsvrijheid ‘goed’ en ‘kwaad’ niet als gegeven accepteert, en daardoor haar grenzen niet te bepalen zijn, volgt immers automatisch dat alles gezegd mag worden. Niemand heeft het recht om een ander, op grond van zijn persoonlijke opvattingen, het zwijgen op te leggen – want zou dat wel zo zijn, dan zou iedereen dat recht hebben. Deze patstelling kwam het mooist tot uiting toen Geert Wilders vorig jaar pleitte voor een verbod op de Koran. „De ironie wil”, merkte de jurist Frank Kuitenbrouwer destijds scherp op, „dat de bezwaren tegen Wilders’ pleidooi voor een koranverbod evenzeer opgaan voor de roep om een strafrechtelijke vervolging van de politicus vanwege dit pleidooi”.

Uit het voorgaande volgt, volgens mij, dat vrijheid van meningsuiting het recht om te twijfelen is; het recht om een eigen waarheid of wereldbeeld te uiten, maar vooral ook om waarheden en wereldbeelden te betwijfelen; om een definitieve vaststelling van ‘goed’ en ‘kwaad’ op te schorten door de ideeën van anderen voortdurend te bediscussiëren. Anders gezegd, het vrije woord is het moreel-relativistische fundament onder onze samenleving.

Het probleem is echter dat de maatschappelijke context hier volledig uit het oog is verloren. Ook een samenleving die niet onder het juk van een absolute morele waarheid (een staatsideologie) valt, heeft wel degelijk een gedeeld idee van ‘goed’ en ‘kwaad’. We zijn niet allemaal morele relativisten. Maar welk idee moeten we dan als ons gedeeld idee van ‘goed’ en ‘kwaad’ beschouwen?

Het meest voor de hand liggende antwoord daarop is: de wettelijke orde. Ons wetboek is het – voorlopige – resultaat van de doorlopende discussie over wat ‘goed’ is (toegestaan) en ‘niet goed’ (verboden). Dus, de enige grens van de vrije expressie moet dus daar liggen waar iemand de intentie uitspreekt om een van de op dat moment geldende wetten te overtreden. Uitingen als ‘ik ga Jan vermoorden’ of ‘ik ga het parlementsgebouw opblazen’ zouden dus – mits op waarde geschat – tot vervolging moeten leiden.

Daarbij moet wel worden aangetekend dat alle wetten in het wetboek die het vrije woord zélf beperken (smaad, godslastering, belediging) buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het vrije woord is immers voorwaarde voor democratisch verkregen wetten. Zonder publiek debat hebben we geen ‘gedeeld idee van goed en kwaad’, dus kan niet bij voorbaat in de wet worden vastgelegd waar het publieke debat wel of niet over mag gaan.

Pleiten voor afschaffing of verandering van de wet kan in een democratie dus ook nooit strafbaar zijn. Geert Wilders mag in alle vrijheid zeggen dat hij artikel 1 (het recht op gelijke behandeling) wil afschaffen. En ook de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit (PNVD) heeft het recht om legalisering van seks met minderjarigen te bepleiten. De partijleden uiten immers niet de intentie seks met kinderen te hebben. Ze stellen alleen dat de strafbaarstelling ervan moet worden opgeschort.

En daar draait het uiteindelijk om: het vrije woord dient er toe onze opvattingen in beweging te houden. Meningsvrijheid is eigenlijk gebaseerd op de feilbaarheid van de mens: we weten niet wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is, dus mogen we er oeverloos over van mening verschillen. Zo wordt voorkomen dat iemands mening een morele ‘waarheid’ wordt.

In de praktijk heeft dat als grote nadeel dat opvattingen die door bijna iedereen als ‘fout’ worden beschouwd óók bestaansrecht krijgen. Maar het voordeel weegt daar dubbel en dwars tegenop: geen enkele opvatting kan, zolang er meningsvrijheid bestaat, ooit tot absolute waarheid worden verheven.

Dus, om de filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) te parafraseren: van dat waarover niet kan worden gezwegen, mag men spreken, zolang aan dat waarover wordt gesproken mag worden getwijfeld.