Uitzicht op genoegdoening

Automatiseerder LCI zou de wereld gaan veroveren. Maar fraude leidde tot de ondergang. Beleggers krijgen 7 jaar later uitzicht op financiële compensatie.

Een verdubbeling van de winst. Het stond er echt, in het jaarverslag van technologiebedrijf LCI, dat in juni 2001 verscheen. „Het management herhaalt zijn toezegging om de winst per aandeel in drie jaar te verdubbelen.”

De winst was in het gebroken boekjaar 2000/2001 nog licht gestegen tot bijna 9 miljoen euro, 32 eurocent per aandeel. De omzet was ruim 20 procent gegroeid tot 311 miljoen euro.

Wie de directie geloofde, kon zich verheugen op een gouden toekomst van het beursgenoteerde bedrijf uit Den Bosch, dat vooral ICT-advieswerk deed, maar ook veel geld zette op de ontwikkeling van de Smartpen. Dat was een veelbelovende vinding die op een veilige manier handtekeningen kon zetten onder (betalings)transacties op internet. Voor de Smartpen lonkte een aparte beursgang en miljarden aan opbrengsten in de snelgroeiende internetmarkt.

Maar in de maanden na die optimistische winstprognose verschoten de krantenberichten van kleur. ‘LCI wankelt door fraude’, ‘LCI stelt doelen bij na winstwaarschuwing’ en ‘LCI vraagt uitstel van betaling’. Op 17 december ging LCI failliet. Duizend banen stonden op de tocht – al maakte een groot deel van het bedrijf snel een doorstart. Beleggers die eind jaren negentig massaal waren ingestapt, bleven onthutst achter. Zes maanden eerder was hun belegging nog 150 miljoen euro waard, nu nul. Op het hoogtepunt van LCI’s bestaan, in maart 2000, bedroeg de beurswaarde ruim 285 miljoen euro. De opkomst en ondergang van het ICT-bedrijf liep daarmee parallel aan het opblazen en doorprikken van de internetbubbel.

Gisteren, ruim zeven jaar na dato, kregen beleggers enig uitzicht op genoegdoening. Een door de ondernemingskamer aangestelde onderzoeker maakte zijn bevindingen bekend naar de gang van zaken die tot het faillissement van LCI hebben geleid. Het enquêterapport, waar door de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) om was verzocht, bevestigt het beeld dat eerder door de beleggersvereniging was vermoed en door de curatoren was geschetst: organisatorisch was LCI een puinhoop. Het rapport biedt aanknopingspunten voor schadeclaims van beleggers bij verantwoordelijke personen, onder wie directeur Sam Asseer, die het bedrijf als alleenheerser bestuurde, en de commissarissen.

Jurist L.P. van den Blink, die al jaren onderzoeksklussen voor de ondernemingskamer verricht, constateert eerst droogjes dat Asseer en de raad van commissarissen „in hun onderlinge verhouding gedisfunctioneerd” hebben, om vervolgens klip en klaar te zeggen hoe dat kwam. „Asseer was niet gewend aan, en niet gediend van, inmenging door de commissarissen.”

Asseer, een in Iran geboren en in België woonachtige zakenman, onthield vitale informatie aan zijn toezichthouders en aan de beleggers. Toen bij een Oostenrijkse dochter van LCI in oktober 2001 een omvangrijke fraude aan het licht kwam – de omzet aldaar was kunstmatig opgekrikt met 30 miljoen euro – kon Asseer niet voorkomen dat die fraude het gehele bedrijf beschadigde. LCI had immers voor 50 miljoen euro garanties afgegeven aan die sjoemelende werkmaatschappij, welke niet waren vermeld in het jaarverslag. De Oostenrijkse lokale accountant was hiervan op de hoogte, de Nederlandse hoofdaccountant later ook. De onderzoeker hekelt de rol van PricewaterhouseCoopers die ondanks deze kennis steevast zonder voorbehoud de jaarrekeningen goedkeurde.

Een andere financiële tegenvaller betrof een claim wegens patentbreuk tegen de Amerikaanse concurrent Motorola. LCI rekende op 237 miljoen dollar, er werd uiteindelijk voor 237.000 dollar geschikt, 0,1 procent van het verwachte bedrag. En de geldverslindend ontwikkeling van de Smartpen – kosten: 1 miljoen euro per jaar – was uiteindelijk „een bedreiging gaan vormen voor de continuïteit van LCI”, schrijft het enquêterapport. Dit project had allang als „bleeder” moeten worden afgeschreven, maar dat besef kwam pas „enkele dagen voor de surseance”.

Door zijn inrichting was het bedrijf niet in staat om het wel en wee van de gehele onderneming in de gaten te houden. Op het hoofdkantoor werkten vier mensen, de werkmaatschappijen waren verspreid over verschillende landen. Er was geen financieel directeur. Het streven van de commissarissen om de directie te verbreden en daarmee „adequaat” in te richten, liep stuk op de almacht van directeur Asseer. Hij bestuurde ook de stichting met de prioriteitsaandelen LCI, waarmee hij de facto de aandeelhoudersvergadering beheerste.

Per saldo concludeert de onderzoeker dat Asseer „in de periode van LCI’s spectaculaire groei niet meeontwikkeld was van een succesvol opbouwondernemer tot een evenwichtig bestuurder”.

Beleggersvereniging VEB slijpt de messen verder. Zij ziet in het rapport voldoende grond om deel twee van de enquêteprocedure te starten: de ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof verzoeken om wanbeleid vast te stellen. Met zo’n verklaring kan de VEB tot actie overgaan om schadevergoeding voor beleggers te verhalen bij Asseer, de drie voormalige commissarissen van LCI, en bij huisaccountant PricewaterhouseCoopers.