Strijkijzerafdruk in het ruggetje

Bij het Medisch Centrum Haaglanden is het aantal meldingen vertienvoudigd.

Vier op de vijf zijn ‘niet-pluisgevallen’. Geen bewijs, maar wel twijfels.

Duidelijke gevallen van kindermishandeling heeft verpleegkundige Hester Diderich vaak genoeg gezien. Het ruggetje met de afdruk van een strijkijzer waarop zelfs het serienummer te lezen was. Het kind dat met zijn blote billen op de gloeiende pizzapan was gaan zitten.

Veel vaker ziet ze twijfelgevallen. De ouders vertellen dan een plausibel verhaal over de hoofdwond van hun zoontje maar terwijl Diderich die wond verzorgt, geeft het kind geen kik en kijkt het doodsbang naar zijn vader. Dat zijn de ‘niet-pluisgevallen’. Diderich: „Je voelt aan alles dat er iets niet pluis is maar je kunt het op dat moment niet hard maken.”

Op de spoedeisende hulp van het Medisch Centrum Haaglanden heeft Diderich twee maanden geleden een kleine revolutie ontketend: alle niet-pluisgevallen melden zij en haar collega’s sindsdien bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), volgens een zelfbedacht protocol. Het ziekenhuis staat hier achter. Eind deze maand loopt de proefperiode af, maar het is zeker dat de proef wordt voortgezet.

Voorheen meldden verpleegkundigen uitsluitend de evidente gevallen – sporadisch dus. In twee maanden tijd is het aantal meldingen bij het AMK Haaglanden vertienvoudigd. Het AMK onderzoekt of er reden is om de ouders op te zoeken. In veruit de meeste gevallen blijkt dat de intuïtie van de verpleegkundigen klopte.

Hulpverleners zijn collectief geschrokken van de dood van mishandelde kinderen als het Maasmeisje en Savanna. Op een recent congres toonden ziekenhuizen zo veel belangstelling voor haar protocol dat Diderich hoopt dat zij hem na deze proefperiode overal in Nederland invoeren. Tegelijk vraagt minister Rouvoet (Jeugd en Gezin) geregeld waarom beroepskrachten zo weinig gevallen van kindermishandeling melden. Want er worden er zo veel mishandeld. Uit enquêtes onder achttienjarigen van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) blijkt dat het 80.000 kinderen per jaar overkomt.

Er zijn tal van redenen waarom medici huiverig zijn om kindermishandeling te melden en dat zat Hester Diderich dwars. „We hadden altijd redenen om het níét te doen.”

Neem de kinderen die werden binnengebracht voor iets wat niet op mishandeling wees maar die duidelijk wel verwaarloosd werden. „Dan dachten wij: dáárvoor is het kind niet hier. Het is hier voor die vinger tussen de deur.” De afdeling gebruikte al negen standaardvragen (het ‘sputovamo’) om te beoordelen of een patiëntje mogelijk mishandeld was, maar ook die vragenlijst nam de angst om te melden niet weg.

De angst woog zwaar. En dan niet zozeer voor een klacht bij de tuchtraad omdat een arts zijn beroepsgeheim schendt door naam en adres van een patiëntje door te geven aan de AMK. Daarvoor heeft artsenorganisatie KNMG vijf jaar geleden al een ‘meldcode’ ontwikkeld.

Nee, er zijn andere redenen om bang te zijn. Diderich: „Je wilt een ouder niet ten onrechte van mishandeling beschuldigen. Als één collega twijfelde, dan zag je als verpleegkundige al af van een melding. Nu zijn we van die onzekerheid af omdat we álle twijfelgevallen melden en álle gevallen van huiselijk geweld en bij álle ouders die een zelfmoordpoging doen. Het AMK zoekt vervolgens uit of er sprake is van structurele mishandeling. Ik vind één onterechte melding niet opwegen tegen de vele gevallen van echte mishandeling die we lieten lopen.”

Bovendien, zegt Diderich, verliezen ouders niet onmiddellijk hun kinderen als blijkt dat ze die mishandelen. „Daar zijn ze wel bang voor maar dat is niet zo. Ze krijgen meestal opvoedingshulp en zijn daar achteraf blij mee – mishandeling komt meestal voort uit onmacht. Alleen in extreme gevallen wordt het kind met spoed uit huis geplaatst.”

Er was nog een reden voor verpleegkundigen om te zwijgen: represailles. Diderich had zelf wekenlang beveiliging nodig omdat een vader haar bedreigde. Dat ging zo: moeder kwam binnen omdat vader haar gezicht blauw had geslagen. Hij ijsbeerde in de wachtkamer terwijl Diderich haar verzorgde. Twee kleine kinderen had hij bij zich. Moeder wilde aangifte doen en naar een blijf-van-mijn-lijfhuis, wat uitzonderlijk is volgens Diderich, in elk geval bij de ‘importbruiden’ uit Marokko of Turkije die voor alles afhankelijk denken te zijn van hun man. „Maar ze wilde alleen gaan mét haar kinderen.” Diderich haalde met een smoesje de kinderen uit de wachtkamer, belde de politie én de AMK en hij werd gearresteerd. Drie weken later stond hij op de stoep, met zijn vrouw die alweer naar huis was teruggekeerd. „Ze wees mij aan en zei: zíj belde de politie en het AMK. En toen heeft vader mij bedreigd.” Toch heeft ze begrip voor die moeder. „Zo iemand is zelf doodsbang.”

Dat is ook nieuw. Huiselijk geweld geldt voortaan als kindermishandeling. „Elke keer dat we een geslagen vrouw behandelen, melden we haar kinderen bij het AMK. Als een kind ziet dat zijn moeder wordt geslagen, dan voelt hij zich onveilig.”

En dan zijn er verslaafde of verwarde ouders die op de spoedeisende hulp komen wegens een mislukte zelfmoordpoging, een overdosis drugs, „of die hier gewoon onder invloed op de grond liggen terwijl hun peuter een beetje op de grond rondscharrelt. Wij zoeken uit of er opvang is voor de kinderen, melden ze bij het AMK en bellen verslavingszorg of de psychiatrie. Ouders die niet voor zichzelf kunnen zorgen kunnen dat ook niet voor een kind. Simpel. Die kinderen moeten we beschermen.”