Saint Amour

Op mijn verjaardag werd ik ingelijfd in een groep waarmee ik een maand zou rondtrekken. Voor het derde jaar op rij dartelt Saint Amour voorlezend, zingend en spelend door Nederland, begeleid door vakkundige organisatoren, lieflijke technici en een topkok. Hoewel ik een plots groepsleven zoals altijd met sluimerende wanhoop tegemoet zag, moet ik na de eerste helft van ons schouwburgenparcours toegeven dat dit een bijzonder prettige, langgerekte manier is om mijn tweeëndertig winters te vieren.

Wij reizen samen. Heldere, weidse luchten vol fijnstof verwarmen de busramen waarachter wij lachen, luisteren of lezend inslapen. Buiten scheren vogels over Hollandse vlakten en zetten wegrestaurantgeranten de vleeskroketten klaar voor onze komst. Associaties met schooluitstappen en begeleide citytrips dienen zich aan, maar de compagnons de route zijn een stuk aangenamer dan de doorsnee toevallige reisgenoot. Omdat ik de jongste ben, zal men mij het kinderlijke enthousiasme vergeven waarmee ik dit alles bezing, zo mag ik hopen want ik ben pas begonnen.

Het is niet enkel de liefde en de literatuur die ons binden. Allen lijken we ook het absurde en de humor te koesteren, afgewisseld met iets als tederheid, en dat straalt van de planken. Zangeres en actrice Tine Embrechts is het ideale verbindende element in deze voorstelling. Het ene moment zingt ze een uiterst broos stuk van Purcell, het andere geeft ze zich over aan van de pot gerukte jazz waarvan zelf het meest bedeesde publiek gaat grinniken. Met dat laatste heeft Hugo Matthysen, die de nummers schreef en ook eigen werk voorleest, veel te maken.

Toen deze man mee componeerde aan de soundtrack van mijn jeugd had ik niet kunnen vermoeden dat wij ooit graag samen zouden blijven hangen op café. Karlijn Sileghem – een steengoede actrice die moeiteloos van dialect en gedaante kan wisselen – drijft het acteerwerk en de liedjes aan Tines zijde nog iets verder in de richting van het prettig gestoorde. In bussen en hotels praten de vriendinnen zelfverzonnen talen, die wij intussen bijna allen machtig zijn.

Zo ook Jonas Van Den Bossche, die de dames begeleidt op basgitaar en het publiek inpakt met de gevoelige klanken van een lapsteel. En dan samen met presentator Thom Hoffman uit de coulissen toekijken, en elkaar innig toefluisteren dat ze het telkens beter doen: ah.

Met de grootste vanzelfsprekendheid demonstreert Joke van Leeuwen dat zij ongeveer alles kan, van een bedrukkend lied over mannen aan de tweede leg tot een intens teder gedicht dat eindigt op een ‘o’ die door het publiek van een echo wordt voorzien. Altijd een mooie voordracht ook bij Tjitske Jansen, de vrouw die uit een Ingmar-Bergmanfilm lijkt weggelopen (qua schoonheid bedoel ik, niet qua psychische ontreddering), die haar benen over haar hoofd kan tillen (backstage) en wier tweede dichtbundel de eerste nog overtreft.

De zachte, rustgevende stem van Herman Franke past bij de zachte, rustgevende man die hij is, terwijl zijn werk tegelijk ook een duister randje heeft. Elke avond wordt afgesloten met een gerichte trap in het doel door Jan Mulder, die zich in artiestenfoyers ontpopt tot leuke oom zonder wie het familiefeest niet hetzelfde zou zijn.

Mijn voorgaande vergelijking leidt mij naar de pater familias Remco Campert, ooit kinky gast genoemd, van wie wij allen zo veel houden dat we hem mogelijk voor het einde van de tournee met een groepsknuffel zullen vermoorden. Wat mooi dat onze wegen kruisen in een sociaal wormgat, voor het weer stil, geconcentreerd en alleen werken wordt.