Op een terrasje in Auschwitz

Geert Mak schreef In Europa over de historie van de 20ste eeuw. De VPRO zendt er een serie over uit. Onze redacteur Hans Beerekamp bezocht onlangs Oswiecim, beter bekend als Auschwitz.

Oswiecim, in het Duits Auschwitz, lag praktisch op de route, je kunt er moeilijk aan voorbij. Een paar vragen had ik me tevoren gesteld. Hoe verwerk je aanzienlijke hoeveelheden toeristen zonder de verdenking van exploitatie op je te laden? Kun je nog naar al die overbekende beelden van het treinperron, de barakken, de gaskamers en de poort met het opschrift Arbeit macht frei kijken en toch verrast worden? En om te beginnen: hoe ziet het dagelijks leven eruit in een klein Pools provinciestadje dat zijn naam tegen heeft?

We arriveerden in Oswiecim op zondagmiddag. Het was er leeg en doodstil, zoals vermoedelijk alle kleine Poolse provinciestadjes. Er zaten wat mensen op terrassen aan het marktplein ijsjes en taartjes te eten, kinderen vermaakten zich in een speeltuin. Helemaal niks bijzonders te beleven. Aan de muur van het gemeentehuis hing een plaquette om in het Engels en het Pools de burgers van Oswiecim te bedanken die hulp hadden geboden aan ontsnapte gevangenen uit het concentratiekamp, dat was gebouwd rond de voormalige kazerne, en uit het iets verderop gelegen vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Er waren dus burgers van Oswiecim geweest die van de hoed en de rand wisten en zelfs weerstand hadden geboden. Die verdienen een plaquette voor hun moed.

Maar zou er ook een voetbalclub zijn die Oswiecim heet? En zou die dan aangemoedigd worden, met Poolse pendanten van ‘Hup Auschwitz!’? Of is die naam in Polen minder beladen dan elders?

Met de toeristische exploitatie valt het in ieder geval heel erg mee. De toegang tot het museum in het hoofdkamp en Birkenau is gratis, alleen voor het parkeren moet je betalen. Er zijn weinig of geen grote hotels of campings, de meeste toeristen worden vanuit Krakow per autobus aan- en afgevoerd. Een klein winkelcentrum tegenover het hoofdkamp biedt discreet de noodzakelijke voorzieningen: een cafetaria, internetcafé, informatiekantoortje en boekwinkel.

En ja, het is toch imposant, met name door de schaal. Birkenau is heel erg groot, er lijkt geen einde te komen aan de barakken en industriële voorzieningen voor de moordmachine. De presentatie is veelal ingehouden en, voorzover je dat woord mag gebruiken, smaakvol. Er staan veel borden met informatie en afbeeldingen op de relevante plekken. De meeste beelden betreffen door de SS vervaardigde foto’s. Op een paneel in een mooi berkenbosje hangt een op die plek genomen foto van vrouwen die wachten, omdat de gaskamers op dat moment vol zijn. Ze kijken niet alsof ze de dood voor ogen hebben, en dat is het meest gruwelijke.

In het hoofdkamp is elke barak ingericht als thematische expositieruimte; de meest bizarre is die met grote hoeveelheden geconfisqueerde bezittingen: schoenen, brillen, prothesen, babykleertjes. En het luguberst: 1950 kilo afgeknipt haar, bedoeld als grondstof voor de Duitse textielindustrie. Zouden Russen, in veel opzichten wreder en bruter dan West-Europeanen, iets dergelijks hebben kunnen bedenken? Leuke kluif voor de Historikerstreit. Ik denk dat dit bureaucratisch cynisme redelijk uniek is.

Ander dilemma: wat doe je met de ruïnes van de gaskamers, vlak voor de bevrijding door de SS opzettelijk vernietigd? Reconstrueren en in de oorspronkelijke staat terugbrengen? Er is voor gekozen om ze zo te laten, en daar valt veel voor te zeggen.

Zie www.ee.nl en zondag de zestiende aflevering van de televisieserie In Europa (Ned.2, 21.10u.).