Onder Raúl is ‘opbouwende’ kritiek nu toegestaan

In het Cuba van Raúl Castro is de afgelopen anderhalf jaar meer ruimte gekomen voor discussie. Kritiek uiten in het openbaar kan, als het maar ‘opbouwend’ gebeurt.

Stills uit de video die werd gemaakt tijdens het universiteitsdebat vorige maand waarbij parlementsvoorzitter Ricardo Alarcón (links) kritische vragen kreeg van onder anderen student Eliécer Ávila (rechts) Foto AFP Images that circulate clandestinely on television show the president of the Cuban National Assembly, Ricardo Alarcon (L), during a question and answer session with University of Information Technology student, Elieser Avila, on February 7 2008 in Havana. The video, which shows Avila questioning Alarcon on issues that affect Cubans, such as their freedom to travel, to enter tourist instalacions and to be informed on the future projects of the Cuban Revolution, has brought forth a wave of comments both in Havana and in the international press. (BEST QUALITY AVAILABLE) AFP PHOTO/TV-ar AFP

Tijdens een bijeenkomst op zijn universiteit vroeg student Eliécer Ávila Cicilia het de Cubaanse parlementsvoorzitter Ricardo Alarcón vorige maand op de man af: Waarom mogen gewone Cubanen eigenlijk niet vrij reizen? Waarom hebben ze amper toegang tot internet? En waarom is het hun niet toegestaan de dollarhotels voor buitenlandse toeristen te betreden?

Het zijn vragen die menig Cubaan bezighouden. Maar ze richten aan een van de meest invloedrijke politieke leiders van Cuba, is hoogst ongebruikelijk – en vereist zeker enige moed. Video-opnames van de discussie met Alarcón gingen dan ook al snel de wereld over. Onder oppositiegroepen buiten het eiland werd Ávila een held.

Op 10 februari meldde een onafhankelijke journalist op het eiland dat Ávila opgepakt was. Door de non-gouvernementele organisatie Freedom House werd een e-mail met dit ‘nieuws’ met ‘hoge’ urgentie de wereld rondgestuurd.

Het regime in Havana reageerde razendsnel. De beelden van de discussie met Alarcón – die aanvankelijk alleen op clandestien uitgewisselde dvd-tjes en het internet hadden gecirculeerd – werden nu op een regeringssite (www.cubadebate.cu) gezet. Ook werd een nieuwe video met Ávila verspreid, waarin de student ontkende te zijn opgepakt. Nadat hij had gehoord dat zijn optreden onderdeel was geworden van een „internationale campagne”, vertelde Ávila op de video, was hij zo snel mogelijk naar Havana gelift om de zaak recht te zetten. Dat studenten kritische vragen stelden, zei hij, kwam namelijk voort uit een wens om „het socialisme beter te maken, niet om het te vernietigen”.

Ook als Ávila onder druk is gezet deze verklaring af te leggen, zegt het incident veel over het huidige Cuba. Sinds Raúl Castro eind juli 2006 ‘tijdelijk’ de macht overnam van de zieke Fidel, gonst het in Cuba van de geruchten dat verandering op komst is.

Raúl heeft deze verwachting in anderhalf jaar ten dele ingelost. Enerzijds heeft hij in toespraken erkend dat economische veranderingen nodig zijn. Maar signalen dat er ook over meer politieke vrijheid – ofwel afschaffing van de éénpartijstaat – gepraat kan worden, gaf Raúl zeker niet.

Wel zei hij dat Cubanen over hun toekomst met elkaar in gesprek moeten. De staat belegde honderden kleine discussiebijeenkomsten, die voor iedereen toegankelijk waren. Er is ruimte voor discussie, zolang deze maar wordt gevoerd binnen door het regime gestelde kaders – hetgeen het incident met de studenten treffend illustreerde. Kritiek mag, maar ze moet wel ‘opbouwend’ zijn.

Voor de kleine groep dissidenten op het eiland is de situatie ondertussen amper verbeterd, oordeelde de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch in haar jaarverslag voor 2007. „De regering blijft politiek conformisme opleggen middels strafzaken, lange en korte gevangennemingen, het laten lastigvallen van personen [uit de oppositie] door menigten, politiebekeuringen, huisarresten, reisbeperkingen en politiek gemotiveerde ontslagen.”

De oppositie zou graag zien dat Cuba meer politieke pluriformiteit krijgt. Maar ook met Raúl, of iemand van de jongere generatie partijleiders, zit dat er niet in, vermoeden dissidenten en waarnemers. Raúls pragmatisme zal er hoogstens toe leiden dat Cuba een ‘Chinees’ model krijgt: er zal geëxperimenteerd gaan worden met de vrije markt, maar de politieke onvrijheid blijft.

Dissidenten en westerse voorstanders van democratie zullen hier moeilijk mee kunnen leven. Maar veel Cubanen zullen het als een grote stap vooruit zien: hun belangrijkste kritiek is niet politiek, maar economisch van aard.

Bijna ieders grootste dagelijks terugkerende zorg op het eiland is hoe hij de rantsoenen aan rijst, bonen, suiker, koffie en zeep waar een bonnenboekje recht opgeeft, kan aanvullen met wat vlees, zuivel, fruit. Om zulke ‘luxeproducten’ te kopen in speciale staatswinkels, zijn buitenlandse valuta nodig. Voor gewone burgers betekent dit veelal dat ze zich moeten inlaten met toeristen, aan wie ze illegaal rum, sigaren of (seksuele) diensten kunnen verkopen. Anderen stelen producten van hun werkgever en verkopen deze op de zwarte markt.

Doordat Cubanen zodoende constant kleine overtredingen begaan, kunnen ze makkelijk onder druk gezet worden door de geheime dienst om hun naaste omgeving te bespioneren. Lang niet iedereen wordt slachtoffer van deze chantagepraktijk. Maar de wetenschap dat buren, vrienden, zelfs familieleden informanten kunnen zijn, heeft in de samenleving veel wantrouwen gezaaid.

Het ondermijnt op efficiënte wijze elk begin van maatschappelijk verzet. Uit angst en apathie bestaat er amper maatschappelijke betrokkenheid. Na een halve eeuw staatssocialisme is een groot deel van de bevolking vooral moe van de politiek. Als ze al in het openbaar over politiek willen praten, kijken Cubanen vaak nerveus over hun schouder.

Mede dankzij deze onverschilligheid kon de machtsoverdracht van Fidel naar Raúl zo geleidelijk en geruisloos verlopen. En hoewel de oppositie in Havana pogingen deed haar traditionele verdeeldheid te doorbreken, bleek ze door het regime effectief te worden tegengewerkt bij het organiseren van enig serieus protest.

Zodoende kwam het de afgelopen negentien maanden nooit tot uitingen van brede publieke onvrede. Raúl, of wellicht een jongere leider, kan na zondag in alle rust gaan bouwen aan een nieuw leiderschap, zij het binnen de aloude revolutionaire kaders.

Dat is een teleurstelling voor regeringen in Europa en de Verenigde Staten. Door hen werd lang gedacht dat het vertrek of de dood van Fidel Castro een plotselinge omslag zou inluiden. Die algemene westerse verwachting lijkt niet uit te komen.