Om de twintig meter een dode zwaan

In november brak een olietanker in tweeën in de Straat van Kertsj. Er wordt nu nog 24 uur per dag en zeven dagen per week gewerkt aan het opruimen van de olie.

De zwaan wordt uit de Zwarte Zee getild en op een baar met zwart zeewier weggedragen. Hij is dood, vergiftigd door de stookolie van de Volgoneft-139, een van de schepen die op 11 november vorig jaar tijdens een zware storm in de zeestraat van Kertsj zijn vergaan.

Maritieme deskundigen hadden de autoriteiten een dag voor de ramp gewaarschuwd voor het dreigende gevaar. De stroming in de zeestraat, die de Zwarte Zee met de Zee van Azov verbindt, zou op 11 november te sterk zijn, de golfslag te hoog.

Maar de tankers, waarvan er enkele in slechte staat verkeerden, mochten toch hun ankers lichten en voeren uit.

Een catastrofe was het gevolg: zeven schepen vergingen, twaalf zeelieden kwamen om, meer dan drieduizend ton stookolie belandde in zee en minstens 34.000 vogels en enkele zeldzame Zwarte-Zeedolfijnen stierven als gevolg van de gelekte olie. Drieënvijftig kilometer kust werd zwaar vervuild.

Aan weerszijden van de landtong bij Kaap Toezla ligt om de twintig meter wel een dode zwaan, meerkoet of fuut. Hun kadavers zijn aangevreten. Zwanenhals blijkt favoriet voedsel. Boven hen cirkelen adelaars. Ze speuren naar vers aangespoelde prooi. Ze weten alleen niet dat zij door die prooi ook vergiftigd zullen worden.

Aan de rand van de Zwarte Zee dreggen tien medewerkers van het Russische ministerie van Rampenbestrijding naar andere dode vogels. Ook halen ze het vervuilde wier weg. „Zeven dagen per week zijn we met tien à twaalf man bezig om de kust schoon te maken”, zegt de 24-jarige reddingswerker Viktor, blozend van de kou.

Het is iets boven nul. De Zwarte Zee ligt nog open, maar de Baai van Taman, die achter Kaap Toezla ligt, is voor een groot deel bevroren. En juist daar bevindt zich het broedgebied, waar veel vogels overwinteren. Het wordt omlijst door een zwarte olierand.

„Meteen na de storm was hier geen levende vogel meer te bekennen”, zegt Viktor. „En nu zijn ze helaas allemaal weer teruggekeerd. Dat komt door hun instinct, hè. Ze gaan er straks allemaal aan. Want het water zit nog vol gif.”

In november was de ramp groot nieuws in Rusland. De staatstelevisie zond er dagelijks over uit. Soldaten, studenten en leden van de pro-Kremlin jeugdbeweging Molodaja Gvardija werden ingezet om de overlevende vogels schoon te maken. Het hele land leek met hun lot begaan.

Maar, zoals wel vaker met rampen, verdween de aandacht van het publiek zodra de televisieploegen hun biezen pakten. „Die verwende jongeren van Molodaja Gvardija kwamen hier alleen maar toen de camera’s draaiden”, zegt Viktor met een minachtende blik. „Als verkiezingsstunt voor Verenigd Rusland. Nu zijn alleen wij er nog.”

Zijn kameraad Pjotr schept met een riek het vervuilde wier op. Volgens hem zijn de gevolgen van de ramp veel groter dan iedereen denkt. „In de zomer gaan we pompen inzetten”, zegt hij. „Want op de bodem ligt nog heel veel olie en als het water warmer wordt, komt die los. Het duurt zeker een paar jaar om alles weg te halen.”

Viktor steekt een sigaret op en kijkt naar de einder. „En als die olie loskomt, verspreidt die zich opnieuw”, vult hij Pjotr aan. „Het zal hier enorm gaan stinken. De vogels hebben dan net jongen. Ik vrees het ergste voor hen. En in de lente komen de pelikanen terug uit Afrika.”

Een paar honderd meter verderop ligt een nog werkende viskolchoz. De 57-jarige zeeman Nikolaj Vasiljevitsj Bondartsjoek zit in een wachthokje. Hij deelt zijn zelfgestookte wodka en verse ansjovis met zijn bezoek. „Ik heb niet veel”, zegt hij. „Ik verdien maar honderd dollar per maand. Maar wat ik heb deel ik met jullie.” Op een veldbed liggen E.Th.W. Hoffmanns Vertellingen. „Een prachtige vertaling”, zegt hij. „En geweldige verhalen.”

Dan begint hij zijn klaagzang over de ramp. „De hele flora en fauna op de zeebodem is verstoord”, zegt hij. „Er is in dit deel van de Zwarte Zee helemaal geen vis meer te vinden. Alleen de Zee van Azov heeft nog wat, maar dat houdt ook niet over. Gelukkig stroomt het water van de Zee van Azov naar de Zwarte Zee en niet omgekeerd, dus bestaat er geen gevaar voor uitbreiding van de ramp.”

De viskolchoz is nog maar een schim van wat hij in het verleden was. De zes kotters die uit het ijs puilen, zijn geen eigendom van de kolchozdirectie, maar van particulieren die er een lig- en losplaats huren.

„Aanvankelijk hadden we een eigen schip”, vertelt Bondartsjoek. „Maar tijdens de perestrojka kwamen hier een paar Moskouse zakenlieden langs die ermee vandoor gingen en het aan een Afrikaans land verkochten. We hebben ons schip nooit meer teruggezien.”

Buiten het wachthokje loeit de wind. Een grote adelaar zit op een elektriciteitspaal langs de modderweg. Zijn kopveertjes trillen. Vorstelijk kijkt hij om zich heen.