Democratie nodig? Nee, eten!

Cuba is het afgelopen jaar vrijer en pragmatischer geworden, zo lijkt het.

Kritiek hebben mag, als het maar opbouwende kritiek is.

Tijdens een bijeenkomst op zijn universiteit vroeg student Eliécer Ávila Cicilia het de Cubaanse parlementsvoorzitter Ricardo Alarcón vorige maand op de man af: Waarom mogen gewone Cubanen eigenlijk niet vrij reizen. Waarom hebben ze amper toegang tot internet? En waarom is het hun niet toegestaan de dollarhotels voor buitenlandse toeristen te betreden?

Het zijn begrijpelijke vragen. Maar ze stellen aan een van de politieke leiders van Cuba, is hoogst ongebruikelijk – en vereist moed. Video-opnames van de discussie met Alarcón gingen al snel de wereld over. Onder oppositiegroepen buiten het eiland werd Ávila een held.

Afgelopen zondag meldde een doorgaans redelijk betrouwbare onafhankelijke journalist op Cuba, dat Ávila opgepakt zou zijn. Het regime in Havana reageerde razendsnel, toen dit nieuws per e-mail de wereld rondging. De beelden van de discussie met Alarcón – die eerst nog alleen hadden gecirculeerd op clandestien uitgewisselde dvd’tjes – werden op een regeringswebsite gezet. Tegelijkertijd werd een nieuwe video met Ávila verspreid, waarin de student ontkende te zijn opgepakt. Nadat hij had gehoord dat zijn optreden onderdeel was geworden van een „internationale campagne”, vertelde Ávila in de video, had hij zo snel mogelijk een lift naar Havana geregeld om de zaak recht te zetten. Het feit dat studenten kritische vragen stelden, zei hij, kwam namelijk voort uit een wens om „het socialisme beter te maken, niet om het te vernietigen”.

Ook als Ávila onder druk is gezet deze verklaring af te leggen, zegt het incident rond de student veel over het huidige Cuba. Sinds Raúl Castro eind juli 2006 ‘tijdelijk’ de macht overnam van zijn ziek geworden broer Fidel, gonst het in Cuba van de geruchten dat verandering op komst is.

Raúl heeft deze verwachtingen de afgelopen anderhalf jaar ten dele ingelost. Hij heeft in toespraken erkend dat economische veranderingen nodig zijn. Maar aanwijzingen dat er ook over meer politieke vrijheid – oftewel afschaffing van de eenpartijstaat – gepraat kan worden, gaf Raúl zeker niet. Wel zei hij dat Cubanen over hun toekomst met elkaar in gesprek moeten. De regering organiseerde honderden kleine discussiebijeenkomsten, die voor iedere Cubaan toegankelijk waren. Er lijkt onder Raúl meer ruimte voor kritiek, zolang deze maar geuit wordt binnen door het regime gestelde kaders. Kritiek mag, maar moet wel opbouwend zijn, zoals ook Ávila bevestigde.

Voor de kleine groep dissidenten op het eiland is de mensenrechtensituatie op het eiland intussen amper verbeterd, oordeelde de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch onlangs: „De regering blijft politiek conformisme opleggen middels strafzaken, lange en korte gevangennemingen, [...] politiebekeuringen, huisarresten, reisbeperkingen en politiek gemotiveerde ontslagen.”

De meeste dissidenten zouden graag willen dat Cuba meer politieke pluriformiteit krijgt. Maar ook met de komende partijleider zit dat er niet in, zo vermoedden ze al vlak na de machtsoverdracht in juli 2006. „Men noemt Raúl orthodox, maar hij is pragmatischer dan Fidel. Hij is iemand die zijn persoonlijke aspiraties wél in overeenstemming brengt met de omvang van ons kleine eilandje”, zei dissident Geraldo Sánchez.

Dit pragmatisme, zo voorspellen veel waarnemers en oppositieleden, zal er toe leiden dat Cuba een ‘Chinees’ politiek model krijgt. Er zal geëxperimenteerd gaan worden met de vrije markt, maar de politieke onvrijheid blijft.

Voor veel dissidenten en voor westerse najagers van democratie zal dit een gedachte zijn waar ze moeilijk mee kunnen leven. Maar de kritiek van een overgrote meerderheid van de Cubanen op hun regering is niet politiek, maar economisch van aard.

De dagelijks terugkerende zorg voor de gewone Cubaan is hoe hij de rantsoenen aan rijst, bonen, suiker, koffie en zeep waar een bonnenboekje recht op geeft, kan aanvullen met wat vlees, zuivel en fruit. Om zulke ‘luxeproducten’ te kopen, zijn buitenlandse valuta nodig. Voor veel gewone burgers betekent dit dat ze zich moeten inlaten met toeristen, aan wie ze illegaal rum, sigaren of (seksuele) diensten kunnen verkopen. Anderen stelen producten van hun werkgever.

Doordat Cubanen zodoende constant kleine overtredingen begaan, zijn velen chantabel geworden en gedwongen om voor de geheime dienst hun buren, vrienden en familieleden te bespioneren. De sfeer van wantrouwen die hierdoor in de samenleving is ontstaan, ondermijnt op zeer efficiënte wijze elk begin van enige ‘subversiviteit’. Na een halve eeuw staatssocialisme is een groot deel van de bevolking vooral moe van de politiek en door de angst en apathie is men amper geëngageerd. Als ze al in het openbaar over politiek praten, kijken Cubanen vaak nerveus om zich heen.

Mede dankzij deze onverschilligheid kon de machtsoverdracht van Fidel naar Raúl zo geruisloos plaatsvinden. Het kwam de afgelopen negentien maanden nooit tot uitingen van brede publieke onvrede. Raúl, of wellicht een jongere leider, kan vanaf zondag in alle rust gaan bouwen aan een nieuw Cubaans leiderschap.

Dat is een teleurstelling voor regeringen in Europa, en vooral die van de Verenigde Staten, die dachten dat de dood van Fidel Castro een plotselinge omslag zou inluiden. Maar die kwam er niet. Het feestje dat Cubanen in Miami gisteren vierden, was dan ook bescheiden. Gingen zij anderhalf jaar geleden na de berichten over Fidels ziekte nog massaal de straat op, gisteren bleef het relatief rustig in Little Havana.

Bekijk de discussie tussen Ávila en Alarcon via nrcnext.nl/links