‘Cinema moet als een hallucinatie werken’

De Mexicaanse regisseur verrukt en ergert zijn publiek met het trage ‘Stellet licht’. Maar het tempo is voor hem niet essentieel.

Bas Blokker

Zo kalm en beheerst als Stellet licht is, zo snel en opgewonden praat de 36-jarige Mexicaanse regisseur Carlos Reygadas. Moet ook wel, want tijdens het filmfestival van Rotterdam, waar zijn film voor het eerst in Nederland te zien was, had hij twee dagen onafgebroken interviews. „Dat doe ik de volgende keer anders”, zei hij uitblazend boven een glas mineraalwater in het Doelentheater.

De versie van Stellet licht die in Rotterdam is vertoond, is korter dan die vorig jaar in Cannes in première is gegaan.

Wat is eruit gehaald en waarom?

„Er zijn twaalf minuten uit. Pas als ik mijn films in een zaal met publiek zie, heb ik voldoende afstand om te zien wat eraan scheelt.”

Wat scheelde eraan? Het ritme?

„Nee, dat niet. Ik kort de scènes niet in, ik haal er scènes uit. Een film moet een wereld in zichzelf zijn. Als ik de eerste versie bekijk, zie ik altijd dingen die er uit kunnen. De versie die hier is vertoond, is voor mij pas de echte film.”

De gebeurtenissen in ‘Stellet licht’ zijn hartverscheurend. Een man kan niet kiezen tussen twee vrouwen en iedereen gaat er aan onderdoor. Toch maakt uw film een afstandelijke indruk.

„Dat komt door mijn manier van regisseren. Ik stuur de kijker niet. Ik manipuleer niet. Het ligt vooral aan de kijker zelf in hoeverre die zich door het verhaal en de personages laat meeslepen.”

Misschien is dat de reden dat u een formalist genoemd.

„Over de vorm van mijn films denk ik helemaal niet zo diep na als sommige mensen beweren. Ik denk nooit: dit shot moet lang duren, want dan voelt de kijker zus of zo. Zoals ik het laat zien, is gewoon de enige manier waarop het goed voelt. Voor mij.

„Ik denk wel veel over de filmtaal: de kaders, het camerastandpunt, wanneer ik moet knippen in de montage. Ik heb een hekel aan films waar de camera alleen maar wordt gebruikt als een instrument om iets mee vast te leggen. Waar je de camera neerzet, moet een precieze bedoeling hebben. Hij kan voor dat doel alleen maar daar staan.”

De lengte van shots en het verloop van de tijd in de film hebben wel overduidelijk met elkaar te maken. Tijd is een thema dat terugkomt in de lengte van bepaalde shots, zoals de zes minuten durende zonsopgang.

„Zeker. Het concept van tijd is belangrijk. Maar het ritme van de montage heeft daar niet mee te maken. Dat heeft alleen te maken met de muzikaliteit van de film. Muziek is wel de hoogste vorm van kunst. Ze stuurt niet, ze legt niet op, ze creëert geen betekenis, ze creëert gevoel. De vraag naar wat iets betekent is zinloos. Het is gewoon muziek. In mijn ogen zou cinema precies zo moeten werken, als een droom, een visioen, een hallucinatie.

„Helaas worden de meeste films verteld als literatuur. Daarbij vergeten de makers wat de kracht van literatuur is. Literatuur laat ruimte voor verbeelding. Gezichten, stemmen en gebaren van de personages moet je er als lezer zelf bij bedenken. Je complementeert het werk van de schrijver. Wie literatuur verfilmt, vernietigt die mooie eigenschap door het allemaal in te vullen. Dan is het net een kinderboek met te veel plaatjes.”

De setting van uw film in een Mennonietengemeenschap is heel schilderachtig. Was dat het uitgangspunt, of gaat het om het thema van de onmogelijke keuze?

„Het begon met het idee van een man die van twee vrouwen houdt en vertwijfeld raakt. En filmtechnisch komt het dilemma in deze setting mooier uit. Stel dat ik het drama in Amsterdam had gesitueerd, dan had ik mijn hoofdpersonen een beroep moeten meegeven, een klasse, een manier van spreken. De ene vrouw zou mooier moeten zijn dan de andere. Dat zou allemaal van de kern hebben afgeleid. Ik wilde me concentreren op een man, twee vrouwen, het conflict. Het is net als in filosofie of in grappen, die zijn abstract. Je zegt: er staat een man op een berg. Dan vraagt niemand: hoe heet die berg? Waarom staat die man daar?

„Zelfs het feit dat ze een bijna dode taal spreken, Plaut-Dietsch, vergroot de neutraliteit en universaliteit. Het is net als met Roodkapje; wat jij als kind hebt horen voorlezen, is precies hetzelfde als ik. Een sprookje of een mythe blijft in essentie hetzelfde in iedere cultuur, het gaat om het concept.”