CDA regeert stug door, maar zonder te schitteren

Het kabinet-Balkenende IV regeert nu één jaar. Hoe oordelen de coalitiepartijen over hun eigen rol? Een korte serie. Deel 1: het CDA.

Toen was het: We run this country. Nu is het: Het land is bij ons in goede handen. Het is een belangrijk nuanceverschil, vinden CDA’ers. Tot begin jaren negentig was het CDA nog de bestuurderspartij die in 1994 door zijn zelfingenomen houding een harde afstraffing kreeg van de kiezer. Nu zit het CDA alweer bijna zes jaar in het centrum van de macht en is de mantra van de partijtop net iets anders. Het CDA is de degelijke en stabiele factor die na een regeerperiode met liberalen nu in het belang van het land regeert met sociaaldemocraten.

Balkenende-IV heeft het eerste jaar bijna achter de rug. Het CDA nam vorig jaar op 22 februari afscheid van de geliefde coalitiepartner VVD, en stapte in een centrumlinks kabinet met PvdA en ChristenUnie. VVD’er Henk Kamp verweet het CDA deze week nog dat het in het afgelopen jaar op belangrijke punten is gaan ‘draaien’. Maar hoe verliep volgens de partij zelf de overstap van hervormingskabinet naar wat een investeringskabinet wordt genoemd?

Een regionale CDA-avond in Dronten, eerder deze week. Zeventig CDA-leden, vooral vijftigplussers, luisteren naar partijvoorzitter Peter van Heeswijk. Hij somt resultaten op: één miljard extra voor het lerarentekort, een nieuwe Europees verdrag, één miljard extra voor gemeenten, extra inzet voor innovatie, de nota duurzame landbouw van de zo florerende minister Gerda Verburg, de verlenging van de missie in Uruzgan, 50 miljoen voor armoedebestrijding, de maatschappelijke stage die voor scholieren wordt ingevoerd. „Een echt CDA-onderwerp.”

Dan staat een man op. Kan de fractie niet wat zichtbaarder worden? Dan wordt het makkelijker om nieuwe leden te werven, zegt de man. De partijvoorzitter antwoordt: „We zijn een partij waar je op kunt bouwen, waar je het land aan kunt overlaten. Dat haalt niet de krantenkoppen, maar de kiezer ziet dat echt wel.”

CNV-voorzitter René Paas, tevens prominent CNV-lid, is teleurgesteld over de rol van zijn partij in het kabinet. „Het CDA heeft heel erg een partijpolitieke vechthouding aangenomen”, zegt Paas. Vooral bij de kwestie over het ontslagrecht zocht het CDA volgens hem nodeloos de confrontatie met de coalitiepartners.

Vervolg CDA: pagina 3

Heimwee naar VVD is er even niet meer

Een week geleden. CDA-fractievoorzitter Pieter van Geel zit in zijn werkkamer. Hij heeft een drukke dag achter de rug. Waarmee? „Met zorgen dat jullie journalisten geen nieuws hebben”, zegt hij met een glimlach.

Hij erkent dat het CDA tot nu toe niet een heel opvallende rol vervult. En dat is prima. „Ik vind het niet erg dat wij als een saaie partij worden betiteld. Wij zijn een degelijke partij”. Zijn fractie zal het komende jaar echt nog wel „accenten zetten”, kondigt hij aan, vooral op het terrein van normen en waarden.

Voor het CDA was na de verkiezingen ‘de uiterste noodzaak-doctrine’ uit het begin van de vorige eeuw weer actueel: we gaan pas met de sociaal-democraten regeren als het echt niets anders kan. De partijtop legde zich hier snel bij neer. Daarom verloopt de samenwerking met PvdA vrij soepel. Ook speelt mee dat er weinig heimwee is naar de VVD: daar is het afgelopen jaar zoveel interne strijd geweest dat deze partij als ideale coalitiegenoot even heeft afgedaan.

Van Geel denkt dat de overgang ook goed ging omdat het CDA met het verkiezingsprogramma al een omslag maakte naar meer investeren in de samenleving. „Onze achterban wilde graag meer aan onderwijs en zorg doen.”

Een euforisch gevoel heeft Van Geel niet bij dit kabinet. Ook nooit gehad, zegt hij. De positieve commentaren een jaar geleden vond hij overdreven, hoewel de nieuwe ploeg toch ook zelf probeerde uit te stralen dat alles anders werd: 100 dagen trokken de ministers door het land om naar de bevolking te luisteren. Van Geel: „Kabinet-Balkenende IV is een goed, maar gewoon kabinet.”

De punten die het CDA bij de coalitievorming moest inleveren, verwerkte de partij anders dan de PvdA soepel. Het generaal pardon voor 27.500 asielzoekers bijvoorbeeld. Het CDA was tegen, na 22 februari vorig jaar werd er zonder morren mee ingestemd. Wim van der Camp, als Kamerlid verantwoordelijk voor het asieldossier: „Intern is er behoorlijk over gediscussieerd. Wij discussiëren altijd heel goed in de fractie.” Naar buiten toe bleef het rustig, eigenlijk op alle terreinen. „We hebben veel teamspelers. Dat heeft grote voordelen, maar ook best nadelen. Wij hebben geen uitgesproken types als Samson en Van Dam”, zegt hij verwijzend naar de meer opvallende PvdA-Kamerleden.

Het gebrek aan zichtbaarheid is niet de enige kritiek die in de achterban te beluisteren is. Voor onderkant van de samenleving mag wel iets meer gebeuren. De koopkracht werd, ondanks de goed draaiende economie, nauwelijks beter. Bij de vorige minister van Sociale Zaken, Aart Jan de Geus, was de nullijn het beleid, zegt Arend Jansen van de CDA-Basisgroep Sociale Zekerheid. „Nu werd dat tussen de regels door gezegd. Dit kabinet heeft de plicht om dit jaar meer voor de laagste groepen te doen. Dat is bittere noodzaak. Het CDA mag wel wat meer passie uitstralen.”

De politieke spanning liep het meest op bij de plannen voor het versoepelen van het ontslagrecht. CNV-voorzitter Paas begrijpt de handelwijze van zijn partij nog steeds niet. De arbeidsparticipatie moet omhoog, dat is een van dé kabinetsdoelstellingen. Een soepeler ontslagrecht helpt daarvoor niet, zegt Paas. Bovendien stond het niet in het verkiezingsprogramma en niet in het regeerakkoord, en toch werd er in de loop van 2007 hard aan vastgehouden richting coalitiepartners.

Uiteindelijk werd deze kwestie voorlopig geschikt door het in de tijd vooruit te schuiven, met de instelling van een commissie. Voor Paas is het goede gevoel weg. „Aanvankelijk was het voor mij het best denkbare kabinet. En dat is het nog steeds.” Maar vooral door de harde houding van zijn eigen partij is Balkenende IV er niet in geslaagd om te schitteren. „Het kabinet wil de participatie bevorderen, maar met het ontslagrecht is een jaar verprutst. Als dit kabinet niet snel tot daden komt, heeft het niet weten te profiteren van de hoogconjunctuur.”

Bij deze kwestie stelde Balkenende zich in zijn ogen te partijpolitiek op, door de confrontatie te zoeken met de PvdA. „Er wordt te veel met lange tanden gegeten. Ik hoor dat dat ook op andere terreinen gebeurt. Dat zit me niet lekker.” De premierbonus – de extra zetels die een partij doorgaans wint omdat ze de minister-president levert – verdien je volgens hem alleen als de premier echt boven de partijen staat. „Dus niet bekvechten met coalitiepartijen. Balkenende zou zich meer een verzoenende rol moeten aanmeten. Hij moet zich niet zo richten op het bestrijden van de PvdA.”

Het is ook iets dat voorzichtig te beluisteren is bij andere CDA’ers, al wordt het niet openlijk gezegd: de premier ontpopt zich nog niet als groot voorman van dit kabinet. Hij is na zes jaar gegroeid, heeft allang niet meer minister Donner als souffleur nodig, is ontspannen bij publieke optredens, maar echte passie voor zijn vierde kabinet straalt hij niet uit.