Bitter dromen van Oscar

Zondagnacht worden de Oscars voor de tachtigste keer uitgereikt. Een vrolijk gebeuren. Maar in films wordt het felbegeerde beeldje meestal juist van zijn glans ontdaan.

Van de glimlachende acteurs op de rode loper tot aan de bedankjes aan geweldige collega’s en inspirerende regisseurs: Het Oscargala is een optimistische ode aan Hollywood. Maar in de schaarse speelfilms waarin het bijna vier kilo wegende, goudkleurige beeldje voorkomt, wordt een cynischer beeld geschetst. Achter glamour en glimlach bevindt zich nietsontziende ambitie, met acteurs die op weg naar de top geen enkel middel schuwen.

In The Oscar (1966) wacht genomineerd acteur Frank Fane in de zaal gespannen op het bekendmaken van de winnaar. Als de presentatrice de envelop openmaakt en de voornaam ‘Frank’ uitspreekt, staat hij verheugd op om naar voren te lopen. Maar er zijn meer mensen die Frank heten en een andere acteur blijkt te hebben gewonnen. De scène is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal dat regisseur Frank Capra in 1933 overkwam. Toen hij ‘Frank’ hoorde zeggen, snelde hij naar het podium. Nog voor hij de trap op was, realiseerde hij zich dat niet zíjn achternaam werd uitgesproken, maar die van collega Frank Lloyd. „That walk back was the longest, saddest, most shattering walk in my life. I wished I could have crawled under the rug like a miserable worm”, schreef Capra later. (Een jaar later won hij alsnog.)

Een van de eerste films over de achterkant van Hollywood is George Cukors What Price Hollywood? uit 1932. Hierin wordt een serveerster een grote ster, terwijl haar man, ooit een beroemd acteur, in de goot eindigt. Dit verhaal werd nog drie keer verfilmd onder de titel A Star is Born: in 1937 als gewone film, in 1954 als musical met Judy Garland en James Mason en in 1976 als rockopera met Barbra Streisand en Kris Kristofferson. In alle vier de versies zien we een prijsuitreiking. In 1932 is het nog een kleine scène als de serveerster de Oscar voor beste actrice wint, in 1937 is het al de dramatische scène die in 1954 vrijwel letterlijk wordt overgenomen. In de versie van 1937 krijgt de actrice die de rijzende ster speelt, Janet Gaynor, haar eigen Oscar overhandigd, die ze in 1929 – tijdens het eerste Academy Award Gala – ontving voor Seventh Heaven.

Haar man, de verlopen acteur, komt veel te laat binnen, stommelt dronken het podium op en begint zijn collega’s te schofferen. Met een ongecontroleerd en iets te enthousiast armgebaar slaat hij daarbij ongewild zijn vrouw in het gezicht. Zo vervliegt de glans van de avond.

In Robert Altmans Hollywoodsatire The Player pakt een politieagente een Oscar op in het kantoor van de van moord verdachte studiobaas Griffin Mill. Ze houdt een korte speech: „Ik wil mijn vader en moeder bedanken.” Eventjes droomt ze weg, dan komt Mill binnen. De Oscar als ultiem droomobject.

De droom keert terug in Living in Oblivion, de topfilm over de productie van een lowbudget-film. Steve Buscemi droomt als regisseur dat hij een prijs krijgt voor ‘Best Film Ever Made by a Human Being’. Zijn dankwoord loopt flink uit de hand. De frustraties over de door ego’s gerunde filmindustrie krijgen de overhand. Een gevoelig ‘go fuck yourself‘ wordt halverwege afgebroken als hard naar een andere scène wordt gesneden. De droomfabriek blijft op het nippertje buiten schot.