Wie uit Dreux weg wil moet extreem mobiel zijn

Sarkozy beloofde dat iedere werkloze jongere die in een banlieue woont „een kans krijgt om zich te redden”.

De jongeren zijn sceptisch: zulke plannen zijn praatjes.

Met zijn zwarte gevel glanzend in de zon ligt de Odyssée in het centrum van Dreux te wachten op bezoekers. Twee jaar oud is de mediatheek en muziekschool, pal naast het theater. Het trotse bewijs dat het goed gaat met dit provinciestadje van 33.000 inwoners op minder dan een uur rijden van Parijs, vindt Jacqueline Delandre. Ze is gepensioneerd verpleegster en voorzitter van de Université du Temps Libre, waar gepensioneerden cursussen volgen, musea bezoeken en zich inspannen voor de stad. Er zijn al meer dan 1.000 leden.

„Dreux is de laatste tien jaar erg opgeknapt”, zegt Xavier Ingrand (48), eigenaar van een schildersbedrijf en levenslang Drouais. Bedrijven zijn weggetrokken naar lagelonenlanden, maar daarvoor in de plaats gekomen zijn Parijzenaars die buiten de hoofdstad willen wonen. Ingrand heeft de handen vol aan nieuwbouwwijken met vrijstaande huizen. Ook in het centrum wordt gebouwd en gepoetst. De façade van de kerk blinkt weer. Dreux wordt chic.

Maar niet overal. Vijf minuten van de Odyssée maakt Lucie Girard, 24 jaar oud, een rondje met haar twee honden tussen de vervallen flats van de wijk Les Battes. Ze zou graag weg willen, zegt ze. „In Dreux is niets te doen. Je kunt hier niet uitgaan en er is geen werk te vinden.” Girard is opgeleid als diëtiste, maar meer dan klusjes in drie bejaardenhuizen heeft ze niet gevonden. Ze werkt als caissière bij de supermarkt.

Ook Silas N’Garbaten (20) een lange Franse jongen van Senegalese afkomst, wil weg uit Dreux. In zijn buurt, Le Moulec, is volgens hem weliswaar veel verbeterd sinds de politie de drugsdealers heeft opgepakt, er een aantal bendeleden zijn overleden en de flats zijn opgeknapt. Hij noemt ook de mediatheek Odyssée, waar hij „een of twee keer” is geweest. Toch is Dreux volgens hem „een spookstad”. Hij reist elke dag naar Parijs, waar hij studeert aan de school voor het toerisme. „Om het te redden, moet je extreem mobiel zijn.”

Vorige week presenteerde president Sarkozy een reddingsplan voor de Franse banlieues. Die liggen niet alleen rond Parijs en Lyon: talloze Franse provinciestadjes hebben hun eigen probleemwijken met een etnisch gevarieerde bevolking, vervallen flats en hoge werkloosheid. In Dreux woont 49 procent van de inwoners in een erkende probleemwijk. De werkloosheid is er 35 procent – 15 procent hoger dan het gemiddelde van de stad. Onder jongeren is de werkloosheid 47 procent.

Aan deze jongeren beloofde Sarkozy vorige week hun dagelijkse leven te veranderen. „Iedereen krijgt een kans om zich te redden”, zei hij. Een opleiding en een baan liggen in het verschiet voor iedereen die zich van goede wil toont. Dat betekent: vroeg opstaan, meedoen aan begeleidingsprogramma’s, geen criminaliteit. Hij riep leraren op naar de probleemwijken te verhuizen en ondernemers hun deuren te openen.

In Dreux zeggen Delandre, Ingrand, Girard en N’Garbaten allemaal hetzelfde: Zulke plannen zijn praatjes. Miljoenen zijn er hier de afgelopen tien jaar geïnvesteerd in de herbouw van wijken, werkgelegenheidprogramma’s, nieuw opleidingen. Er zijn belastingvrije zones voor bedrijven. De situatie is nog altijd hetzelfde. Waar ligt dat aan?

„Wij staan elke dag vroeg op, maar we vinden geen werk”, zegt Sidi, die vanmiddag boodschappen doet in Les Battes met zijn vriend Abou. Ze hebben de tijd, deze Franse jongens van Malinese afkomst. Ze zijn 22, zitten sinds hun zeventiende niet meer op school en zijn werkloos. Nou ja, af en toe een dagje een inventaris maken in een magazijn, een stage op de rommelmarkt. Dat is hun werkervaring. „Frankrijk is een hypocriet land”, zegt Sidi. „Als het hier was als in Engeland, met positieve discriminatie, zouden we werk hebben.”

In zijn ruime kantoor in het centrum van Dreux lacht Ingrand zuur. „Ik heb altijd vacatures”, zegt hij. De eisen liggen niet hoog. Gekwalificeerde krachten of mensen die hij zelf kan opleiden. „Goede wil is al een kwalificatie.” Dan tovert hij een sollicitatiebrief tevoorschijn. Een jongen van 20. Afrikaanse naam. Van zijn achterstandsschool vertrokken op zijn zeventiende. Daarna één stage gelopen, „van één dag of drie maanden, dat staat er niet bij.” De brief staat vol taalfouten. Ingrand: „Met deze jongen wordt het niets. Hoofd en handen werken niet samen, dat zie je zo. Ik heb het al zo vaak geprobeerd.”

De boeken komen op tafel. Ingrand wil bewijzen dat het hem niet aan goede bedoelingen ontbreekt. Hij neemt deel aan drie programma’s om jongeren te integreren. Schooljongens van zestien, die werken en leren combineren. Een Malinees die na twee jaar nog geen Frans spreekt krijgt taalles op het werk. Twee jaar geleden nam Ingrand net als andere ondernemers deel aan een reddingsoperatie voor vierhonderd kansarme jongeren uit de immigrantenwijken. Hij nam er vier in vaste dienst. Nu is er nog één over. „De anderen waren een ramp. Wel geld vangen, maar na de proefperiode weigerden ze te werken. Ze beschadigden materiaal, stookten anderen op en leerden niets.” Toch gaat hij door. „We moeten sociale relaties opbouwen in de stad. Hoe moeizaam dat ook gaat.”

Is de kloof tussen het welvarende hart en de arme immigrantenperiferie onoverbrugbaar? Nee, denkt Jacqueline Delandre. Haar Université du Temps Libre komt sinds drie jaar op scholen om jongeren te begeleiden. Gepensioneerde personeelschefs, ondernemers en leraren nemen kinderen onder hun hoede die niet weten hoe het toegaat op de arbeidsmarkt. „Het is soms flink doorbijten om je weg uit de wijken te vinden”, denkt Delandre. „Maar als je echt wil, vind je werk. Rachida Dati [minister van Justitie] is het toch ook gelukt?” Vaak schort het aan een praktische voorbereiding op school, zegt ze. „Als je diëtiste wordt, moet je weten dat het een erg zelfstandig beroep is, dat je zelf moet organiseren.”

Maar een goede opleiding krijgen spreekt niet vanzelf, legt Silas N’Garbaten uit. Als scholier probeerde hij toegang te krijgen tot de enige particuliere middelbare school in de stad, waar de beste leraren les geven. Zijn cijfers waren goed, zijn familie kon het betalen. „Maar ik woonde niet in de goede wijk, of misschien had ik niet de goede achternaam”, meent hij. N’Garbaten zegt dat hij „geen slachtoffer” wil zijn. Hij heeft kritiek op zijn leeftijdsgenoten die maar afwachten. „Om te slagen moet je niet klagen, maar zelf actie ondernemen. Dat is de enige manier.”

Beluister mixtapes van underground rappers uit banlieues:www.frenchrap.de/mixtapes