Verlammende en niet gerechtvaardigde nervositeit

‘Nederland?! Amsterdam?!’ riepen mijn buitenlandse collega’s en vrienden toen ik vorig jaar aankondigde dat ik na ruim negen jaar Rome zou verlaten. ‘How wonderful!’ Nederland met zijn groene velden en perfect gerestaureerde binnensteden vormde een land op menselijke schaal, een lust voor het oog, met een democratie en een tolerantie even solide als zijn dijken. Amsterdam noemden ze een van de echte kosmopolitische steden ter wereld, vriendelijk voor kinderen, fietsers en voetgangers, met een overweldigend cultureel aanbod. Het land waar milde vooruitstrevendheid en redelijkheid in grote letters in de klei geschreven stonden.

‘Wat? Nederland!? Amsterdam?!’ riepen mijn Nederlandse kennissen en vrienden in koor toen ik zei dat ik terugkwam. „Hoe kun je ooit hier weer willen wonen als je overal in de wereld een baan kunt krijgen!” Ze vroegen of ik niet zag dat Nederland onherkenbaar veranderd was: afgegleden tot een bedilzuchtige kliek van zichzelf verrijkende bestuurders, geleid door halfgeschoolde politici die niets anders verlangden dan een terugkeer naar de overzichtelijke, moralistische jaren vijftig. Wist ik dan niet dat het poldermodel hopeloos was vastgelopen in nors geruzie en gebrek aan hart voor de publieke zaak? Om maar niet te spreken van studenten die niet eens meer konden tellen, laat staan konden spellen. En had ik niet gemerkt hoe Amsterdam tot een grote mayonaisegoot verworden was waar de inwoners uit de provincie hun verveling verdreven met het kopen van pseudobronzen kandelaars en bamboevaasjes voor hun foeilelijke interieurs? Had ik niet gehoord van de no-go-areas in menige stad waar allochtonen de straten beheersten en korte metten maakten met de naïeve idealisten die hun integratie nastreefden?

Trouwens, hoe haalde ik het in mijn hoofd om Italië te verlaten, waar ieder zonovergoten dal een adembenemend vergezicht biedt op esthetisch in het landschap geplaatste cipressen, en de mensen nog werkelijk tijd hebben om samen te genieten van de uitgebreide zelfgekookte maaltijden met ingrediënten die de plaatselijke boerenstand met liefde op het land van voorvaderen had geteeld? Mijn gesputter dat Italië niet in alle opzichten een paradijs is – denk alleen al aan het vuilnis in Napels of de politieke onbestuurbaarheid van het land – maakte weinig indruk.

Zo wordt me nu door veel Nederlanders met een ondertoon van bezorgdheid gevraagd hoe het met me is, alsof ik een patiënt ben wiens toestand maar net stabiel gehouden kan worden. Als ik dan naar waarheid antwoord dat ik de zon en de Italiaanse glimlach mis maar geniet van wat Nederland te bieden heeft, word ik aangekeken alsof ik de zaak bedrieg of, erger nog, ben overgelopen tot het kamp van de buitenlanders die nooit iets van Nederland kunnen begrijpen.

Natuurlijk, het Nederland van 2008 is niet meer dat van 1997. Pim Fortuyn, Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali, 11 september 2001 – ze hebben diepe sporen getrokken in de vroegere zelfverzekerdheid. Er is een gebrek aan zelfvertrouwen ontstaan, een bijna pathologische neiging om te klagen over de toestand van het land. Nederland lijkt aan een collectieve depressie te lijden die gekenmerkt wordt door een onuitgesproken en onbewezen, maar daarom niet minder overtuigend gevoel dat het nooit meer goed zal komen. Iedere gebeurtenis is een bewijs van dit gevoel, of het nu de ontmanteling van ABN Amro is, of de komst van Poolse werknemers.

Bij politici en burgers heerst een ongekende nervositeit, die nauwelijks wordt gerechtvaardigd door de feiten – want objectief gesproken is er op dit moment werkelijk geen sprake van een crisis, noch economisch, noch politiek, noch wat betreft onze veiligheid. Nederland lijkt in de greep van een collectieve preventieve angst voor gevaar dat niet eens bestaat of zich nog niet eens echt heeft gemanifesteerd (grootschalige obesitas, de film van Wilders om maar twee dingen te noemen). Dat gevaar moet ritueel bezworen worden, liefst via de media. Zo ontstaat de paradox dat naarmate Nederlanders minder risico lopen, hun tolerantie voor potentiële problemen en hun relativeringsvermogen afnemen. Met als gevolg een verlies van onbevangenheid ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen en verharding van de toon van het debat.

Ter compensatie meten de bewindslieden zich af en toe een vals klinkend optimisme aan, doorspekt met clichés over het VOC-verleden, alsof de bewonderenswaardige gedeelde bereidheid risico’s te nemen van destijds iets met hun precaire gewankel op de evenwichtsbalk van de coalitie van doen heeft.

De wereld wordt steeds groter en Nederland wordt navenant kleiner. Er zijn andere zwaartepunten ontstaan op de twee terreinen waar we van oudsher iets in de melk te brokkelen hadden: ontwikkelingshulp en internationale handel. Ook op milieugebied zijn we allang niet meer het beste jongetje van de klas. In Europa zijn we een van de minor players geworden. Dat is de werkelijkheid die we onder ogen moeten zien.

Maar een reden voor een collectieve depressie is dit alles niet. Integendeel, we zouden het juist als een uitdaging kunnen zien om binnen deze beperkingen een eigen niche te verwerven in de wereld. Niet door ons op de borst te kloppen, maar door zonder ophef dát te versterken waar we goed in zijn: onze stedenbouw, onze culturele instellingen, ons waterbeheer, onze landinrichting, en ja ook, ons model van overleg en gedecentraliseerd bestuur. Nederland, die kleine, zo intensief bewoonde delta aan een stijgende Noordzee, is een ideaal laboratorium waar het evenwicht tussen milieu en natuur, wonen, werken en transport, integratie en assimilatie onderzocht kan worden. En dat zou weleens relevant kunnen zijn voor de rest van de wereld.

Nederland?! Ja, Nederland! Aan het zo populaire Nederland-bashing doe ik niet mee.

Vandaag begint Louise O. Fresco, Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, een tweewekelijkse column op de opiniepagina.

Discussieer over deze column via nrc.nl/discussie