Toezicht op automatiseerder LCI functioneerde niet

Ruim zes jaar na het roemruchte faillissement van technologiebedrijf LCI is het hoge woord eruit: de directie en het toezicht daarop functioneerden niet.

De enquêteur die de gang van zaken bij het beursgenoteerde bedrijf uit Den Bosch in opdracht van de ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof heeft onderzocht, presenteerde gisteren zijn bevindingen.

LCI was in de jaren negentig een snelgroeiend IT-bedrijf dat in hoog tempo bedrijven overnam, en veel verwachtte van de in ontwikkeling zijnde Smartpen, een apparaat dat transacties op internet beveiligde. Tot 2000 groeide de nettowinst van het bedrijf met 40 procent per jaar en liep de beurswaarde op tot 220 miljoen euro. Nadat in september 2001 bij een Oostenrijkse dochter een boekhoudfraude was geconstateerd, ging het mis. De omzet daar bleek voor zo’n 30 miljoen euro te zijn opgepoetst. Twee maanden later ging LCI failliet.

Volgens het rapport hadden de commissarissen een „totaal verkeerd beeld” van de financiële armslag van het bedrijf. Directe oorzaak daarvan was het misbruik dat de eenkoppige directie – Sam Asseer – maakte van het in hem gestelde vertrouwen. Hij onthield zijn toezichthouders vitale informatie. „Asseer was niet gediend van inmenging door de commissarissen.”

Ook levert de enquêteur kritiek op de accountants van PricewaterhouseCoopers. Die hebben een „voorbehoudsloze goedkeurende verklaring” afgegeven aan de jaarrekening van 2000/2001, terwijl de gevolgen van de fraude in Oostenrijk intern al bekend waren.

Volgens jurist Paul Coenen van beleggersvereniging VEB, die om de enquête had verzocht, biedt het onderzoeksrapport aanknopingspunten om bij de betrokkenen schade te verhalen. „Een mooiere grond voor wanbeleid is niet denkbaar.” Dat zou in een aparte procedure door de ondernemingskamer moeten worden vastgesteld. De betrokken bestuurder en commissarissen waren vanochtend niet bereikbaar voor een reactie. PricewaterhouseCoopers had het rapport nog niet kunnen bestuderen.