Kust van Florida is ‘the birthplace of speed’

De 50ste Daytona 500 trok maar liefst 240.000 toeschouwers naar Florida.

Het strand en smokkel van illegale whisky lagen aan de oorsprong van de autorace.

Vrijdag, twee dagen voor ‘The Great American Race’, de Daytona 500: op het strand van Daytona Beach rijden deze middag de auto’s op en neer, na bij de toegang vijf dollar te hebben betaald. Tussen de auto’s af en toe wat motorfietsen, quads en golfcarts. Buiten de twee officiële rijstroken – voor elke rijrichting één – een ijscokar en een wagen van waaruit stoelen, parasols en surfboards worden verhuurd.

Kilometerslang flaneren op wielen, en de auto even aan de kant zetten om van de zon te genieten. Frustrerend is het om met de gehuurde ‘muscle car’, een Ford Mustang, niet sneller te mogen dan 10 mijl (16 kilometer) per uur. Borden met de snelheidslimiet staan in het zand geplant, tussen beide rijstroken. Door de lage snelheid, het gekrijs van zeemeeuwen en het gebeuk van de golven is het strandverkeer nauwelijks te horen.

En dan te bedenken dat juist hier in de vorige eeuw met auto’s, en later ook motorfietsen, duizelingwekkende snelheden werden bereikt, tussen de duinen en het water van de Atlantische Oceaan. Ruim honderd jaar geleden vond een paar kilometer naar het noorden langs de kust van Florida snelheid zijn oorsprong, zegt men hier. Ormond Beach, dat grenst aan Daytona Beach, prijst zichzelf aan als ‘the birthplace of speed’.

De stranden zijn hier zo hard als een biljart. Die ondergrond stelde bijvoorbeeld Malcolm Campbell in 1935 in staat met zijn Bluebird een recordsnelheid van 276,82 mijl per uur te halen – ruim 400 kilometer per uur. De Engelsman vond het onverantwoord op het strand een nieuwe recordpoging te doen en week uit naar de zoutvlakten van Utah, waar Bonneville het nieuwe mekka voor recordjagers op wielen werd.

Het waren niet alleen successen op de stranden van Ormond en Daytona Beach. Af en toe strandde een recordpoging in de golven, sommigen moesten hun heldenmoed met de dood bekopen. Het nabije zeewater zorgde soms ook voor technische problemen: door het opkomende water sneuvelde een enkele keer de automatische tijdwaarneming.

Een van de getuigen van het laatste snelheidsrecord in Daytona was Bill France, de man die in 1959 de Daytona International Speedway zou laten bouwen en die een decennium eerder aan de basis stond van Nascar (National Association for Stock Car Auto Racing). Nascar-racen is nu een van de populairste sporten in de VS, met vier merken waarvan de niet opgevoerde versies bij de dealer te koop zijn: Ford (Fusion), Dodge (Charger), Chevrolet (Impala SS) en Toyota (Camry), het eerste buitenlandse merk in Nascar. De eerste dit jaar van in totaal 35 races, de Daytona 500, is ook de grootste. Gisteren werd voor meer dan 240.000 toeschouwers de vijftigste editie verreden.

In 1936 begon ‘Big’ Bill France, met zijn Noorse partner Sig Haugdahl, aan de voorloper van de Daytona 500; een race op een parcours dat voor de helft (1,6 mijl of iets meer dan 2,5 kilometer) op het strand lag en voor de andere helft op de openbare weg, achter de duinen evenwijdig aan het strand. De gemeente Daytona was blij met het nieuwe initiatief, omdat met het vertrek van de recordpogingen een belangrijke (toeristische) inkomstenbron verloren was gegaan.

Daytona stelde voor de ‘strictly stock automobile race’ 5.000 dollar prijzengeld beschikbaar – 1.700 voor de winnaar. Na 241 van de 250 geplande mijl werd de race gestaakt, omdat in een van de bochten steeds meer auto’s in het zand bleven steken. Een nieuwe traditie was geboren, en al snel werden twee of drie races per jaar georganiseerd in Daytona Beach.

Eind jaren vijftig was het bijna onmogelijk geworden om op het ‘strand-landcircuit’ te blijven racen, onder meer als gevolg van de toenemende bebouwing langs de kust. France kreeg van de gemeente toestemming om ruim tien kilometer van het strand – bij het vliegveld en de hondenrenbaan – een tweeënhalve mijl (vier kilometer, tien keer groter dan een schaatsbaan) lange racebaan te laten bouwen. In de vorm van een D, met in de bochten hellingen van 31 graden, om hogere snelheden mogelijk te maken. De Texaanse aannemer die de baan bouwde liet zijn materieel uit het nabijgelegen Cuba komen, waar werkzaamheden als gevolg van Fidel Castro’s revolutie tegen dictator Batista stil lagen.

Wie vanaf de tribunes de baan oploopt – enkele uren voor de race mag dat om op het immense binnenterrein te komen – merkt pas hoe steil de baan wel niet is. Alsof je van een zeedijk naar beneden loopt.

De ‘superspeedway’ werd een bedevaartsoord voor autosportfanaten, meteen vanaf de eerste race in februari 1959. Die eerste race werd met een verschil van een halve meter gewonnen door Lee Petty. Een foto van een toeschouwer uit Minnesota bracht de beslissing, ruim zestig uur na de finish.

De vijftigste aflevering van de Daytona 500 begon zondagavond met optredens van artiesten uit elk decennium sinds de eerste race in februari 1959. Chubby Checker was er, om de muzikale sfeer uit de beginjaren van The Great American Race op te roepen. Zijn nummer The twist is bijna zo oud als de Daytona 500. Kool and The Gang zong Celebration en zangeres Trisha Yearwood deed haar versie van het Amerikaanse volkslied.

Tijdens de laatste klanken van de Star Spangled Banner vlogen F-16 Thunderbirds in formatie over het racecomplex. „De timing is dezelfde als bij het laten vallen van bommen op een doel tijdens een gevechtssituatie”, zei luchtmachtcommandant Robert Skelton eerder op de dag. Yearwood was zenuwachtig voor het zingen van het volkslied, zei ze vlak voor de race, maar oud-coureur Junior Johnson had haar daar met alcohol van afgeholpen.

Johnson won in 1960 de tweede editie van de Daytona 500 (hoofdprijs 19.600 dollar) en zat gisteren achter het stuur van de ‘pacecar’, een goudkleurige Corvette, om tijdens de opwarmronden het tempo voor de 43 deelnemers aan te geven. Johnson is nog van de generatie coureurs die het racen in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw combineerde met het transporteren van illegaal gestookte whisky. Deze whiskyrunners in het zuiden van de VS waren de pioniers van het stockcarracen.

Bij de drivers meeting, een paar uur voor de race, werden alle nog in leven zijnde en aanwezige oud-kampioenen, onder wie Mario Andretti, voorgesteld en kregen de 43 coureurs de spelregels nog een keer te horen. Tot slot werd gebeden, voor de coureurs en voor de toeschouwers. Op de baan riep een dominee enkele minuten voor de start op tot gebed. Dat bidden geen garantie is voor een veilige race bleek onder meer in 2001, een van de meest memorabele races in Daytona. Drama in de slotronde: in de laatste bocht (Turn 4) crashte een van de grootste Nascar-coureurs, Dale Earnhardt. Hij overleefde de klap niet. Toen hij over de baan schoof en zijn wrak in de flank werd getroffen door een collega, ging zijn zoon Dale Earnhardt jr. als tweede over de finish.

‘Junior’, die de race in 2004 won, is nu de grote held in Nascar. In de vijftigste editie ging hij als favoriet van start, maar hij raakte in de race twee van zijn drie teamgenoten kwijt die hem naar de zege hadden kunnen leiden, zijn ‘wingmen’ Jeff Gordon en Jimmie Johnson.

Na zijn huldiging in Victory Lane ging Ryan Newman zondag met de hoofdprijs van 1.543.045 dollar naar huis, plus een bonus van 1 miljoen dollar van Dodge. De dertigjarige coureur herinnerde eraan hoe hij als tiener hier nog op de Segrave-tribune had gezeten. En daarmee was weer een link naar het rijke verleden van Daytona gemaakt.

De Brit Henry Segrave was een van de coureurs die hier in de vorige eeuw op het strand snelheidsrecords vestigde. Hij was in 1927 de eerste coureur die de barrière van 200 mijl per uur (320 kilometer) doorbrak. Die snelheid werd zelfs gisteren in de Daytona 500 niet gehaald.

Bekijk historische beelden op www.daytona500.com