In het leven draait het om de liefde

Het maakt niet uit of het een ouder, een buurvrouw of een leidster is, kinderen moeten kunnen hechten. Zonder een betrokken, stabiele verzorger gaat het fout, weet Carlo Schuengel.

Niemand kan zonder liefde. Iedereen weet het, maar er waren in de jaren vijftig, zestig en zeventig experimenten met resusaapjes voor nodig om dat wetenschappelijk aan te tonen. Een van die experimenten ging zo: Een aapje werd in de ‘pit of despair’ geplaatst, een trog met steile wanden. Het was voor het aapje onmogelijk om eruit te klimmen en zo contact te hebben met soortgenoten of met de buitenwereld. Alle aapjes die in zo’n trog werden geplaatst, veranderden binnen enkele weken in passieve hoopjes ellende. En ze kwamen er nooit meer bovenop: als ze later kinderen kregen, mishandelden ze die.

Het rottige experiment met de resusaapjes, uitgevoerd door de Amerikaanse psycholoog Harry Harlow, was nodig om wetenschappelijk aan te tonen dat mensen en andere primaten, alleen gezond kunnen opgroeien als ze voldoende liefde krijgen, zegt Carlo Schuengel, hoogleraar orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Het denken over hechting is, onder invloed van dergelijk onderzoek, de afgelopen decennia sterk veranderd. Carlo Schuengel doet al vijftien jaar onderzoek naar hechting. Vanavond spreekt hij over die sociale verbondenheid in zijn lezing ‘Gehechtheid als spiegel van de beschaving’. Zijn bijdrage is de eerste in een reeks van acht lezingen door vooraanstaande wetenschappers over opvoeding.

Waarom werd pas vanaf de jaren vijftig duidelijk dat kinderen zonder stabiele, betrokken verzorger niet goed opgroeien?

„Het werd niet als belangrijk gezien. Na de Tweede Wereldoorlog werd het zeer beschaafd gevonden om de ouders niet of nauwelijks toe te laten tot hun zieke kinderen in het ziekenhuis. Immers, hoe hygiënischer de afdeling, hoe hoger de kans op overleving. De ouders zouden misschien viezigheid met zich meebrengen. Bezoek van de ouders was dus niet in het belang van het kind, werd gedacht. De Britse wetenschapper John Bowlby probeerde na de Tweede Wereldoorlog aan te tonen dat psychische problemen vaak komen door het ontbreken van een moederfiguur in de vroege jeugd.”

Is er speciaal een moederfiguur nodig voor een gezonde hechting?

„Bowlby en Harlow richtten zich vooral op de stabiele moederfiguur als basisbehoefte vanaf de geboorte. Juist omdat ze zo’n nadruk legden op de moeder kregen ze kritiek. Vooral omdat in die tijd vrouwen meer gingen werken.”

Is voor een goede hechting één persoon belangrijk?

„Het gehechtheidsgedrag blijkt juist heel flexibel. Kinderen kunnen, zo blijkt uit weer later onderzoek, met meerdere personen tegelijk gehechtheidsrelaties opbouwen. Met beide ouders, maar ook met een oma, en een buurvrouw of een leidster op de crèche. Kinderen hechten zich zelfs aan verzorgers die niet direct aardig tegen hen zijn. Als een ouder afwijzend reageert op angst bij het kind dan leert dat kind bij die volwassene die emotie te verbergen. Dat heet onveilige hechting, maar is geen stoornis: een hechtingsstoornis is veel ernstiger.”

Als het in de vroege jeugd misgaat met de hechting, kan het dan later nog goed komen?

„Dat kan. De meeste pleegkinderen die in verschillende gezinnen hebben gewoond, gaan zich uiteindelijk toch veilig voelen als de pleegouder in de buurt is. Onderzoek in Roemenië, recent gepubliceerd in Science, ondersteunt dit. Pleegzorg bestond tot voor kort niet in Roemenië, weeshuizen wel. De kinderen in die tehuizen worden vaak verwaarloosd, zeker op emotioneel gebied. De onderzoekers hielpen, als onderdeel van het onderzoek, de Roemenen met het opbouwen van pleegzorg. Voor een beperkt aantal kinderen was er een plaats. Om die plekken werd geloot. Daardoor werd voorkomen dat de gezondste, jongste of mooiste kinderen een plek zouden krijgen, dat zou het onderzoek waardeloos maken. Alle kinderen werden in hun cognitieve ontwikkeling gevolgd. De kinderen die in de pleeggezinnen terecht kwamen, bleken een grote inhaalslag te maken, de kinderen in de tehuizen bleven ver bij hen achter. Maar er zijn ook altijd kinderen die zich niet veilig leren voelen bij een pleegouder, ook niet na langere tijd. In dat geval wordt gesproken van een hechtingsstoornis.”

Je hoort vaak over hechtingsstoornissen. Komt het zo vaak voor?

„Dat weten we niet. Een hechtingsstoornis is zeldzaam als je naar de gehele bevolking kijkt. Overdiagnose ligt op de loer. Dat komt ook doordat de symptomen niet eenduidig zijn. Als er problemen zijn in de relatie tussen ouders en kinderen, betekent dat niet meteen dat het om een hechtingsstoornis gaat. Toch vinden therapeuten en ouders het soms een prettig label. Het is lastig om de diagnose te stellen, dat vereist heel specifieke deskundigheid.”

Is er nog wat aan te doen?

„Sommigen typen hechtingsstoornis verdwijnen na een ingrijpende verbetering van de opvoedingsomgeving, bijvoorbeeld als kinderen in een pleeggezin komen. Andere typen zijn heel hardnekkig. Ouders en pleegouders kunnen leren hoe ze een kind met een hechtingsstoornis het beste kunnen steunen. Pleegouders met zo’n kind zouden veel intensievere hulp moeten krijgen. Die mensen komen soms naar mij, omdat ze het echt niet meer weten. Terwijl ze hun pleegkind zo graag een kans in het leven willen bieden.”