Hoe Kikker Tokio redde van een aardbeving

Haruki Murakami: Na de aardbeving. Uit het Japans vertaald door Jacques Westerhoven. Atlas, 192 blz. € 19,90

Wat 2001 is voor de Amerikanen is 1995 voor de Japanners: een jaar waarna het leven niet meer hetzelfde zou zijn. Op 17 januari werd de havenstad Kobe getroffen door een aardbeving; twee maanden later verspreidden religieuze terroristen een dodelijk gifgas in de Tokiose metro. Twee gebeurtenissen die volgens Japans beroemdste schrijver Haruki Murakami ‘laten zien dat we ons niet meer veilig kunnen voelen in de wereld waarin we leven, omdat die niet langer verankerd is’. Murakami schreef dit in het nawoord van de verhalenbundel Na de aardbeving. Het zijn allemaal puntgave verhalen – kraakhelder geschreven, empathisch, melancholiek, dirty realistic in de stijl van Murakami’s grote voorbeeld Raymond Carver, en vol krachtige twoliners als: ‘Het valt niet mee om jong te zijn. Je kunt over bepaalde dingen nog zoveel nadenken zonder dat je er een stap verder mee komt.’

Juist daarom komt het vijfde verhaal, over de brave Katagiri die thuiskomt en aan zijn keukentafel een twee meter hoge kikker treft, ook zo hard aan. Hier wordt het absurde uitgangspunt even overtuigend als beklemmend uitgewerkt: Kikker is gekomen om Tokio te redden van een allesvernietigende aardbeving, en Katagiri moet hem helpen in zijn strijd met de reusachtige Wurm die daarvoor verantwoordelijk zal zijn.

Te gek voor woorden, dit fantasy-verhaal over een kikker die Hemingway en Conrad citeert en als een soort stand-upcomedian zijn argumenten formuleert. En natuurlijk twijfelt Katagiri net als de lezer aan het werkelijkheidsgehalte van zijn avonturen met Kikker. Maar dan heeft Murakami je al een brok in de keel bezorgd – iets waar hij ook in slaagt in het slotverhaal ‘Honingkoekjes’.

Hierin bevinden we ons op vertrouwd Murakami-terrein: de driehoeksverhouding die ook in zijn roman Norwegian Wood zo’n belangrijke rol speelt. Een korteverhalenschrijver houdt zijn hele leven van de vrouw van zijn beste vriend, en krijgt een nieuwe kans wanneer het paar uit elkaar gaat. Zijn aarzelingen, en zijn liefde voor zowel de vrouw als haar dochtertje, houden het verhaal tot het eind toe spannend en worden verbonden met zijn pogingen om een geschikt slot te vinden voor een kinderverhaaltje over een beer die honingkoekjes bakt. ‘Vanaf nu schrijf ik een ander soort verhalen’, luiden de laatste gedachten van de schrijver.

De schrijver twijfelt voortdurend, ook over zijn talent en het genre waarin hij excelleert. ‘Het korte verhaal gaat dezelfde weg als de arme rekenliniaal’, zegt hij tegen zijn geliefde, ‘die raakt ook in de vergetelheid’. Het is dat je de hoofdpersoon van een fictieboek nooit gelijk mag stellen aan zijn schepper. Anders zou je Murakami gaan verdenken van valse bescheidenheid.

Pieter Steinz