Geloof maakt elk verzinsel waar

Wat is religie? Gevoel en smaak voor het oneindige, meende de romanticus Schleiermacher.

Kan de moderne gelovige van hem iets leren?

De religie wil ons maar niet loslaten. God is al diverse keren ‘dood’ verklaard. Kerken worden verbouwd tot boekhandels en poptempels. Priesters en nonnen trouwen, dominees verkondigen van de kansel niet meer in de Heer te geloven. Maar zie, tegelijkertijd verschijnt de EO op de tv, zit de ChristenUnie in het kabinet en verrijzen overal in de stad moskeeën. En het publieke debat wordt gegijzeld door de angst voor de religieuze reacties op een film die niemand gezien heeft. Heeft dit alles nog iets met religie te maken?

Luisteren we naar Friedrich Schleiermacher (1768-1834) in Über die Religion, dan luidt het antwoord: weinig of niets. Nu schreef Schleiermacher dit boek in 1799, maar de religie stond destijds ook in een kwade reuk. Door de denkers van de Verlichting werd zij bestreden om haar fanatisme en onverdraagzaamheid. Schleiermacher is het daar helemaal mee eens, maar met de ware religie hadden zulke excessen niets te maken, vond hij.

In vijf ‘betogen’ zet Schleiermacher gepassioneerd en met veel omhaal van woorden uiteen wat religie dan wel is. Religie, schrijft hij in een beroemd geworden formule, is ‘gevoel en smaak voor het oneindige’.

Alles komt aan op de Anschauung van het oneindige universum, dat overal is en dat door iedereen op een eigen manier kan worden ‘geschouwd’. Er is geen grens aan het aantal religieuze ervaringen. Want dat lijkt het religieuze voor Schleiermacher toch in de eerste plaats te zijn: een ervaring, individueel en intens, zich concentrerend in het ogenblik en gericht op ‘het Ene en het Al’.

Schleiermacher doet zijn best om van de religie iets te maken dat volstrekt op zichzelf staat. Deze nadruk op het zelfstandige karakter van de religieuze schouwing doet eerder aan de kunst denken, die in de 18de eeuw eveneens haar autonomie ontdekte.

De gelijkenis berust niet op toeval. Toen Schleiermacher Over de religie schreef, deelde hij een woning met de romantische criticus Friedrich Schlegel. Hij werkte mee aan diens tijdschrift Athenäum, waarin zijn ‘betogen’ door dezelfde Schlegel uitbundig werden geprezen. Volgens Schleiermacher konden waarachtige priesters (mensen met een originele schouwing, die optraden als ‘middelaar’ voor degenen die nog niet zo ver waren) heel goed vergeleken worden met kunstenaars en dichters, zij het dan zonder schilderij of gedicht.

De romantici, op hun beurt, vergeleken ware kunstenaars en dichters met ‘priesters’, ook al schrijft Schlegel ergens dat religie voor hem toch voornamelijk neerkwam op ‘enthousiasme’. Blijft de vraag wat de religie méér was voor Schleiermacher? Wat hield een religieuze schouwing of ervaring in, los van een vaag holisme?

Is het een emotionele versie van Spinoza’s amor intellectualis dei, een lieflijke variant van Nietzsches dionysische roes of allebei tegelijk? Schleiermacher verklaart zich nader: het doel van de religie is ‘het beminnen van de wereldgeest en het vreugdevol beschouwen van zijn werken’. De wereldgeest moeten we zoeken in de ‘wetten’ van de natuur. Hoe meer kennis, des te dieper de ervaring: de wetenschap baant hier dus het pad naar de religieuze mystiek.

In het laatste ‘betoog’ komt vooral het verguisde christendom er goed af. Alle leerstelligheid en alle wereldse bemoeienis worden weliswaar afgewezen, maar de kern van de christelijke boodschap blijkt exact overeen te komen met wat Schleiermacher zelf beweert over de ware religie: ook in het christendom zou alles draaien om het ‘streven van al het eindige naar de eenheid van het geheel’. Het is een verrassend slotakkoord, deze rehabilitatie van het christendom.

De identificatie van christendom met romantisch holisme behoort mijns inziens tot de minst overtuigende kanten van Over de religie. Want het is wel erg handig om alles wat niet in je kraam te pas komt als niet waarlijk religieus opzij te schuiven en toch vol te houden dat het nog steeds om christendom gaat. Zo gemakkelijk valt de band met de romantische kunst en poëzie niet af te schudden. Wat kan zo’n – in wezen onmogelijke – schouwing van het oneindige universum tenslotte anders zijn dan een romantische fictie waarin de schouwer zelf is gaan geloven?

Een andere vraag is of je daar iets tegen moet hebben. Misschien is het geloof in zo’n verzinsel juist bijzonder heilzaam. Deze visie vinden we bij William James (1842-1910), van wie onlangs enkele lezingen uit de bundel The Will to Believe (1897) zijn vertaald. James verdedigt de ‘legitimiteit van het religieuze geloof’ met het even pragmatische als psychologische argument dat het zinvol is om te geloven in ficties, hypotheses of mogelijkheden, zo lang ze beantwoorden aan reële behoeften. Hij is er niet op uit om ‘absurditeiten’ te legitimeren. Maar wat is erop tegen om te geloven in ‘het bestaan van een of andere ongeziene orde waarin de raadsels van de natuurlijke orde kunnen worden verklaard’?

Maar dat is niet het enige: door datzelfde geloof zouden deze ficties wel eens werkelijkheid kunnen worden. De pragmatische psycholoog James spreekt in dit verband van het ‘zelfverifiërende geloven’ oftewel: wie niet waagt, die niet wint. Om identieke redenen is het volgens hem zinvol om te geloven dat we in een moreel universum leven of dat het leven de moeite waard is om geleefd te worden. Door dit geloof te willen wordt het een beetje of zelfs helemaal waar.

Ontbreekt de ‘wil om te geloven’, dan blijft het uiteraard allemaal fictie en is het onzin om er religie van te maken. Waarom zouden we? Alsof poëzie op zichzelf niet genoeg is. Aan de andere kant zou een dergelijke fictie, pluriform en tolerant, de religie beslist geen kwaad doen.

Dachten alle gelovigen tegenwoordig als Schleiermacher of James, dan kon Geert Wilders rustig zijn film uitzenden zonder dat iemand hoefde te vrezen voor de gevolgen. In dat geval zou Wilders zelfs geen enkele geldige reden hebben gehad om zijn film überhaupt te maken.

Themanummer over religie van Romanticism on the Net: http://www.ron.umontreal.ca

Friedrich Schleiermacher: Over de religie. Betogen voor de ontwikkelden onder haar verachters. Vertaling Willem Visser. Boom, 163 blz. € 28,50.

William James: De wil om te geloven en andere populair-filosofische essays. Vertaling A. Scheepers. Abraxas, 218 blz. € 22,50.