Geen kind mag aan zorg ontsnappen

Wanneer informatie over kinderen niet schriftelijk maar digitaal wordt opgeslagen, worden kinderen die risico’s lopen eerder opgemerkt, meent André Rouvoet.

Digitaliseren, elektronisch opslaan, eenduidigheid. Het hoort bij deze tijd en de voordelen zijn groot: geen gesjouw meer met dikke papieren dossiers die zomaar kwijt kunnen raken, geen onleesbare krabbels meer en een kind kan rustig verhuizen zonder bang te zijn dat zijn gegevens zoekraken, want alles is gedigitaliseerd. Tel uit je winst.

En toch. Vanaf het moment waarop ik in mijn beleidsprogramma ‘Alle kansen voor alle kinderen’ het Elektronisch kinddossier presenteerde is de discussie daarover niet van de lucht. Prima, laat iedereen vooral meedenken. Ware het niet dat er soms misverstanden rijzen en er verkeerde beeldvorming ontstaat. Zo ook in Opinie & Debat van 9 februari in de bijdragen van Caroline Forder, hoogleraar Europees Familierecht, en Jos Lamé van de RIAGG Rijnmond. Zij schoten te ver door.

Het Elektronisch kinddossier is een systeem voor de automatisering van het huidige papieren dossier in de jeugdgezondheidszorg: de consultatiebureaus en de ggd’s. Hulpverleners moeten op deze manier sneller risico’s kunnen signaleren en kinderen volgen in risicovolle omstandigheden. Een landelijke verbinding van alle lokale systemen van de jeugdgezondheidszorg zorgt ervoor dat geen kind buiten beeld raakt.

Caroline Forder omarmt het kinddossier en het uitwisselen van informatie als er met een kind meer aan de hand is. We voldoen daarmee aan onze internationale gedragsverplichtingen. Maar ze vergist zich wanneer ze schrijft dat „alle gegevens over een kind in een dossier bij één overheidsinstantie terechtkomen”. Het dossier is níét van de overheid, maar van de professionals in de consultatiebureaus – zoals papieren dossiers dat al decennialang zijn. Het is een medisch dossier dat alle relevante informatie van het kind bevat betreffende zijn gezondheid en zijn psychosociale en cognitieve ontwikkeling.

Jos Lamé keert zich tegen het Elektronisch kinddossier. Hij noemt mijn plannen om probleemjongeren vroeg op te sporen en hulpverleners beter te laten samenwerken „absurd, stalinistisch en megalomaan”. Hulpverleners hebben elkaar volgens hem ook helemaal niet nódig. Hun ideeën zouden juist moeten botsen om het debat gaande te houden over de oplossing van complexe problemen waarin mensen en gezinnen verkeren. En het is volgens hem een illusie te denken dat het aantal mishandelde kinderen in Nederland ooit zal afnemen.

Maar ik zal nooit berusten in het grote kwaad van de kindermishandeling. Er kan heel veel verbeterd worden op het terrein van aandacht en zorg voor kinderen waardoor risico’s eerder kunnen worden opgespoord en excessen kunnen worden voorkomen. De eerste stap is om van elk kind te inventariseren hoe het ermee gaat. Zoals de artsen en verpleegkundigen van de consultatiebureaus en de ggd’s nu al doen. Maar wat moet gebeuren is dat zij dat overal op dezelfde manier doen en de gegevens niet langer in een papieren dossier stoppen, maar digitaal opslaan. Dan worden kinderen die risico’s lopen eerder opgemerkt. Het argument dat we zo’n risico-inschatting toch niet voor alle kinderen hoeven te doen, deel ik niet. Als de artsen niet vragen, komen ze niets te weten. Er worden nog altijd tienduizenden kinderen mishandeld of verwaarloosd van wie wij dat niet weten. Als de risico’s die een kind loopt eerder in beeld zijn, kan ook eerder hulp worden geboden aan ouders en kind. Zo wordt voorkomen dat kinderen verder in de problemen raken.

Gebeurt dat toch en zijn er meer hulpverleners met het kind en gezin aan de slag, dan zullen zij van elkaar moeten weten waar ze mee bezig zijn en moet er één zijn die het overzicht heeft en de hulp coördineert. Natuurlijk moet bureaucratische rompslomp vermeden worden.

Maar waar Lamé die samenwerking en coördinatie weghoont, zie ik deze als noodzakelijk om te zorgen dat de hulpverleners niet langs elkaar heen werken en hun doel voorbijschieten. De verschrikkelijke gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van Savanna en het Maasmeisje hebben duidelijk gemaakt dat de meisjes uit het zicht van de hulpverleners waren geraakt en dat het aan uitwisseling van informatie ontbrak.

Lamé geeft toe dat „we nu niet alle kinderen en probleemgezinnen in beeld hebben”, maar vindt het tegelijkertijd „een absurd idee dat we het leven van iedereen moeten kennen en dat we weten wat goed voor de mensen is”.

Hier spreekt hij zichzelf tegen. Wat mij betreft hebben de professionals de gezinnen en kinderen wél in beeld en helpen zij hen hun problemen op te lossen. Hij noemt het een taboe om te aanvaarden dat er kwaad in de samenleving is. Dat is geen taboe. We kunnen inderdaad – helaas – niet al het kwaad uitbannen, maar hebben wel de dure plicht om alles te doen wat in ons vermogen ligt om kinderen te beschermen tegen misbruik en mishandeling.

André Rouvoet is minister voor Jeugd en Gezin.

Het artikel van Forder en het interview met Lamé zijn na te lezen via nrc.nl/opinie